Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Tik, tik, daar is ze weer
zachtjes tegen de ruit
en zomaar op een dag

krachtig voedt ze
als behangen met fruit
laat bloeien in anders dor gebied

Bam, kabam in het gure veld
gelijk kogels van ijs
fonkelen deze peilloze ogen

butsen vallen
in veler kwetsbare huid
zo plots en zelden kennen wij haar niet

Geruisloos dwarrelt
op de stenen trap
alle kleur weerkaatst en terug gegeven

een deken over ons
zonder enig geluid
toch klinkt zij door als smeulend lied

Het regent vaak in november
de negende maand of de elfde
de tegenwind maakt ons geremder
en ’t jaar eindigt meestal hetzelfde

mistletoe wacht in november
hartstochtelijk op regenzoenen
terwijl sommigen steeds ontstemder
en hardvochtig zichzelf depri noemen

herfstkleurige bomen en vlaggetjes in de stad
tijdens een wandeling was de limbo wat nat
en de straat begon te ontvolken

gezelligheid was ver te zoeken
maar ach, waarom zou ik vloeken
‘k loop toch met mijn hoofd in de wolken.

Wim van den Hoonaard

En daar gaan we
de spoorbrug huilt
de trein die suist
de wind die blaast
de boom die buigt
het blad dat waait
de golven wit
het water wild
m’n sokken nat
mijn handen koud
het tempo straf
de wind die striemt
mijn bril beslaat
mijn hart dat bonst
de tak die kraakt
m’n jack kletsnat
het slechte zicht
mijn tijd beroerd
de spieren stram
de route lang
het hoekje om
de luwte in
het modderpad
het valse plat
de hongerklap
het zoute zweet
het zweet dat bijt
de wil die kraakt
de regenplas
de enkel zwikt
het rechte eind
het licht valt weg
je hapt naar lucht
een vaag besef
je vindt dit leuk
de regen in
novemberkou
de finish lonkt
je concentreert
je pas wordt lang.
je grijns komt terug
je bent er weer.

Michiel van Hunenstijn

Blote paling met naaktslakkensaus. Dat kreeg ik die avond in het café te eten als hors d’oeuvre. Een gang die speciaal werd aanbevolen met: om erin te komen. Ondertussen verrichtte een schamel gekleed meisje onduidelijke werkzaamheden in verticale richting via een centraal geplaatste paal.

Even later kwam een pas geverfde dame tegenover mij aan tafel zitten om mij op het hoofdgerecht voor te bereiden. Ze sprak over verleidelijke horizonten binnen het eigen gezichtsveld, over consumeren en assembleren, pulsen en impulsen, over ongekend genot: besmuikt, beschimmeld of beschaafd. Tenslotte over de alles vernietigende veerkracht om soepele of hoekige, om gerekte, gedrukte, gedraaide, gewrongen bewegingen steeds weer uit te voeren en terug te nemen.

Toen pas begon ik goed te luisteren en mij te verbazen. Ik nam de entourage van de locatie beter in mij op. Er ging mij een licht op toen ik keek naar de lampjes met hun minimale voltage: hier serveren ze geen biefstuk van de haas!

Mijn bestek viel stil.

Jan van Laar

Zemba was een scheepsborstel,
maar was eigenlijk een god.
Zemba was een scheepsborstel
en hij werkte op een schip.

Zemba was niet meer de jongste,
was versleten en zijn haren kwijt,
had het dek geborsteld en geboend,
had geveegd, van ruim tot het vooronder,
de haren vlogen in het rond.
Had gewerkt, geveegd, geschrobd.
De jaren gingen heen en toen was Zemba op.

En werd toen overboord gegooid, in de plomp ermee
Zonder een ‘een twee drie in godsnaam’,
wat moet je immers met zo’n lor.
Maar Zemba borstelde en kwam boven, dobberde en
spoelde aan tussen de kribben van de Stobbewaard.

En werd op een zondagmiddag gevonden
en gered van die wrede verdrinkingsdood.
Dus werd Zemba afgeveegd en afgedroogd
en voorzichtig naar zijn huis gedragen.
Hij kreeg daar een gezicht en een ziel.
En kreeg een plek, hoog aan het huis,
geniet van aanzien en pensioen,
en waakt nu over tuin en huis.

Zemba was een versleten scheepsborstel,
maar wist, diep van binnen was hij een god.

Michiel van Hunenstijn

aan de oever van die mooie rivier
zie ik waterbeelden die
de takken van de bomen raken
glinsterende eenvoud zichtbaar
tegenbeelden fluisteren naar elkaar
en spreken elk hun eigen taal

een heldere jutuut van de groene specht weerklinkt
een duif vliegt over het water
het gras wuift me toe
blaadjes varen als kleine bootjes voorbij
sta even stil bij het water
en snuif de herfst naar binnen

Dick Smeijers

Eenzaam buigt bamboe
in barre wind
Hol van binnen
zonder breekbaar spint
Haar gekraste bast
afwerend bemind

Gepaard bestrijken veren
de helle atmosfeer
zacht krommend in vleugels
of dwarrelend neer
Zijn dunne haartjes
bleek in zonnig weer

Samen sterk doorstaan zij
een gekozen vorm
Sans zinnig gevoel
volgens enige norm
kruipt ieder voor zich
naar de zuigende storm

Maarten Douwe Bredero

(vrij naar De Dapperstraat van J.C. Bloem)
         
Cultuur is voor veerkrachtigen of legen,
En dan: wat is cultuur nog in dit land?
Een stukje tekst, een column  in de krant,
Een muurtje met wat kunstwerkjes ertegen.

Geef mij de ruwe, bomenrijke wegen,
De beladen rietomzoomde waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, pikant
Als zwellichamen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Gezegend, op een zonbegoten morgen,
Domweg gelukkig, in de Oostermaat.

Tinus Derks

Dat ooit twee handen

veer voor veer

en deze veren tezamen
ineens

de lichamen van adelaars
weer laten zweven boven landen

in hogere sferen
tot mystiek verheven

verweven werden
tot War bonnet

de ‘pet’
die een medicijnman tooit

Erica Rekers

Zonnetje schijnt
laag aan de horizon
een rode gloed
valt over het woud.
De bomen wuiven
met een kleurenpalet
op hun eens groene blad.

Warme vochtigheid
dringt langzaam door
tussen gestorven hout
mos en herfstblad.
Witte schimmeldraden
verspreiden zich snel
in hun eigen web.

Ze voelen zich thuis
in deze oude boom
leunend tegen het hout
Waar de vrucht ontpopt
als een prachtig herfsttafereel.

Marleen van Joolen

Geachte dames
en dito heren

hoe bestaat het dat
de wereld buiten
mijn diepste punten
van verbeelding
kan akti-veren…

Wim van den Hoonaard

de zon scheen half oktober
nog maar tien minuten in haar tuin.

in dat lichtkwartiertje gezeten
sloot zij kort haar ogen

en toen ze deze weer opendeed,
gleed er een sluier van goudgele blaadjes
langs haar heen.

Cecile Reijnders

                                       There must be fifty ways to leave your lover
                                                    Fifty ways to leave your lover

                                                    Just slip out of the back, Jack
                                                    Make a new plan, Stan,
                                                    You don’t need to be coy, Roy
                                                    Hop on the bus, Gus
                                                    Don’t need to discuss much
                                                    Just drop the key, Lee
                                                    and get yourself free

                                                                           Paul Simon

Laat het sneeuwen op haar tepels
Laat het waaien langs haar rug
Laat haar kruipen bij de krekels
Er is nu toch geen weg terug.

Laat haar ramen zijn beslagen
laat haar spiegels zijn bemist
Laat haar bed zijn onbeslapen
en haar agenda uitgewist.

Laat het regenen in haar ogen
Laat het bliksemen in haar lucht
Laat haar paden zijn belopen
Al haar vinders op de vlucht.

Laat het donkeren op haar dagen
Laat haar klokken zijn van slag
Laat onpeilbaar zijn haar baken
en strooi zand op waar zij lag.

Laat het sneeuwen op haar tepels
laat het vriezen aan haar borst
Laat haar waden door de knekels.
Zo veel leven is vermorst.

Herman Posthumus Meyjes

Dichterlijk ongerief!
Dichters van Deventer,
Hoog in O.B. bijeen,
Onder t.l.,
Ruilden hun hemelspoort,
Wanhoopbevestigend,
In voor de Hades van
Perlase hel.

Tinus Derks

De dichter die op Deventer wil dichten,
Is meer onthand dan zij die op hun fiets
Hun dichterlijke kunnen willen richten,
Want op dat voorwerp rijmt tenminste iets.

De dichter die van Deventer wil zingen,
Vindt in vertwijfeling wel iets gratuits
Als Koek- en Hanzestad, ja van die dingen,
Maar nee, op Deventer rijmt echtwaar niets.

Hij zoekt, als hij zijn habitat wil eren,
In arren moede naar iets erudiets,
Maar moete ten langen leste concluderen:
Zo’n stad biedt minder kansen dan een fiets.

Tinus Derks

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!