Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

De tijdsgeest verbleekt
ik maai over het veld
haal de tijd eruit en slaak
mij een zucht op weg naar
tijdspanne, heb er wat mee
zie nu pas wat het deed
de ommekeer is draaiing
verandering maakt vrij
tijd is lijden en verglijden
ik luister niet naar leugens
ook het koren groeit door
en passeer deze weg alleen
daar het raam met de barst
die doet bloeden en vloeien
het baant zich een weg
door mijn tijd die verstrijkt
trek mijzelf weer uit het slijk.

Violet Asseruit Mane

Wat was uw bloeiperiode, vroeg ze.
Nu, riposteerde ik.
Dan bent u dus een laatbloeier, sprak ze gevat.
Geenszins, zei ik, want ik heb altijd gebloeid,
in de beste en in de slechtste tijden,
in voor- en tegenspoed,
bij overwinning en nederlaag,
gedurende inspiratie en droogstand,
in duizeling en duikvlucht,
in dronkenschap en doodsnood,
tijdens honger en overvloed,
bij ingetogenheid en uitspatting,
in licht en duisternis,
bij geloof en ongeloof,
zowel bij twist als vrede,
in het voorjaar der illusies
zo goed als in de winter van wanhoop —
en in al die tijden heb ik in hoofdzaak,
ja vrijwel onafgebroken,
zonder adempauze of intermezzo,
en zonder acht te slaan op de kosten
of de gang van het verhaal te onderbreken,
gezwegen.

Toen zei zij dat ze genoeg wist.

Herman Posthumus Meyjes

jarenlang heb ik elke morgen
in de Stentor gezocht naar
tien verschillen in twee  op het
eerste oog gelijke tekeningen
tot ik op een dag na een half uur
nog geen enkel verschil had ontdekt
en ik met veel misbaar de krant
in de fik heb gestoken
de volgende dag deelden ze mee
dat ze abusievelijk twee dezelfde
tekeningen hadden geplaatst
waarvoor welgemeende excuses
sindsdien zoek ik elke dag naar één
enkel verschil om te checken of ze
niet weer per abuis twee dezelfde
tekeningen hebben afgedrukt

Ze krijgen mij d’r niet onder

Tinus Derks

Mysterieuze vogel met twee
koppen, hoog op een kale tak,
ogen naar strijdige kanten

daar –
zonnige tuinen in bloei
die hem blij deden zingen
anderzijds –
landerijen verijsd door woedende
stormen van pijn en angst

Ineengedoken tuurt hij in de
troosteloze nacht, zoekend naar
tekens van eenheid
buigt zich
in zwijgende onmacht

vindt onder de zachte veren
eindelijk ware verbinding
Jubelend volgt hij zijn hart
       
Marianne Sorgedrager- Van Halewijn

Als alle mollen vliegen konden
en vogels groeven in de grond,
als elk kameel zijn zebra vond
en zij zich met elkaar verbonden,

als alle paarden vinnen hadden
en zwommen in het Veerse gat,
als elke baars zijn paling had
en zij dat vierden bij de Wadden,

als water stroomde naar de bron
en licht zich keerde naar de zon,
als wortels wezen naar de lucht,
verlangend naar een ver gerucht…

wie weet of dan jouw kille blik
zich warmt aan mijn verhit gezicht.

Jan van Laar

Ik wil zo graag de kleur van woorden weten
Zijn die van jou als je mijn lief bent rood?
Of donkerzwart wanneer we strijden om gelijk
Ik wil zo graag de kleur van woorden weten

Zijn ze zo zacht als golven in jouw haar
Of spijkerhard als rotsen kunnen zijn?

Jouw woorden die ik proef en met mijn tong bemin
kan bitterheid niet langer meer verdragen
Ik wil zo graag de kleur van woorden weten.
Ik wil zo graag…

Ik neem afscheid van mijn hand
die het pad van de bliksem kon schetsen
of de stilte van de stenen
onder de sneeuwhopen van weleer.

Om ze weer bossen en zand te laten worden
neem ik afscheid van het wit papier en de blauwe inkt
waaraan lome rivieren ontsprongen,
zwijnen in de straten, lege maalderijen.

Ik neem afscheid van de vrienden
op wie ik het meest heb vertrouwd:
de konijnen en de motten,
de rafelige zomerwolken,
mijn schaduw die altijd zachtjes met me sprak.

Ik neem afscheid van de Deugden en de Gratiën der [ planeet:
de mislukkelingen, de muziekdozen,
de vleermuizen die zich bij het vallen van de avond
losmaken uit houten huizenbossen.

Ik neem afscheid van mijn stille vrienden
die alleen maar willen weten
waar je wat wijn kunt drinken,
en voor wie alle dagen
niets anders dan een smoesje zijn
om ouderwetse liedjes te gaan zingen.
Ik neem afscheid van een meisje
dat zonder me te vragen of ik van haar hield of niet
met me meeging en met me sliep
op zo’n middag vol rook
van in greppels brandende bladeren.

Ik neem afscheid van een meisje
wier gezicht ik in mijn dromen blijf zien
verlicht door de trieste blik
van treinen die voorbijgaan in de regen.

Ik neem afscheid van het  geheugen
en ik neem afscheid van de heimwee
– het zout en het water
van mijn dagen zonder doel –

en ik neem afscheid van deze gedichten:
woorden, woorden – een beetje lucht
bewogen door mijn lippen – woorden
om de wellicht enige waarheid te verhullen:
dat we ademen en ophouden met ademen.

Klaas Wijnsma

Dit is een ruige avond in november,
de regen stroomt de donk’re wolken uit
en straffe winden beuken op mijn ruit…
Een jongen draaft voorbij, een onbekende.
Gevelde bomen zorgen voor ellende,
een dakpan valt te pletter op de straat.
Een held is wie er nu naar buiten gaat,
die jongen dus, hij lacht om heel die bende.
Maar ik zit droog en ’t is voor mij een troost
dat ik een dak heb en geen pannen mis.
Geborgen voel ik mij, dat wil ik vieren
met een pintje vers gebrouwen bier.
Voor de jongen die een kanjer is 
hef ik vandaag het glas en bulder ‘proost’.

Jan van Laar

Novembermaand hoezeer ga je gebukt
onder beelden van duister, dood, verderf,
motregen, takken van een boom gerukt,
verlating, ouden eenzaam op hun erf.
Sombere schrijvers gaan zich te buiten
aan dwaallichten, die, van elkeen vervreemd
angst aanjagen wie op hen mocht stuiten
je vraagt zijn die vertellers zelf ontheemd?
Ik zie november als een maand gevuld
met lange avonden, mooie boeken,
gesloten gordijnen, mezelf gehuld
in wat me zint, desnoods oude doeken.
Met dit wel wat krakkemikkige sonnet,
is november van de somberaars  gered

Sieth Delhaas

Novemberregen beukt tegen het huis,
de storm gaat niet liggen is het wel pluis?
Als men eens wist wat er allemaal in de storm besproken wordt,
Gompie, ik peins en pak een boot en ga spelevaren,
de haren zouden te bergen rijzen en vaar weg van ’t fjord,
wegvaren van het noodweer, het is zitten op hete blaren.

Naar zee gaan en de hele wereld achter mij laten,
novemberstorm, ga maar ergens anders praten.
Dapper is het om de motregen te trotseren –
Trek je regenpak uit stel je kwetsbaar op –

Kan jou het wat schelen als men je zou bezeren –
De geest is uit de fles en de kurk zegt Nu plop –
Laat je niet door de novemberstorm verwarren,
kost je veel tijd om Ariadne’s kluwen te ontwarren.

Dochter van koning Minos met haar kluwen wol –
Haar draad verleggend naar een labyrint van woud –
Theseus geholpen die zich rolde naar het verkeerde hol –
Verwachtingen geschept en Ariadne, zij is nu oud –
De novemberregen houdt de mens altijd staande

Dappersten onder ons zullen alles trotseren
Het houdt de ondermaanse gaande
Aangezien daar veel valt te leren

Mijn oren vertellen me de verhalen
Van vroeger en van overmorgen
Mijn ogen zien de stralen van de zon
nadat de nacht reeds aangebroken is
mijn mond is bijna afgesloten
vertolkt niet meer dan nodig is.
mijn hart vertikt de tijd.
om lief te hebben tegen beter weten in
blijf ik geloven in die dagen
van fel rode lippen en een goed glas wijn.

Dick Smeijers

Een dag als deze, diep vijandig,
en van zijn laatste licht beroofd,
maakt mij onnoemelijk opstandig —
alsof ik ooit in beter had geloofd.

Een dag als deze, grijs als stof,
met waken, slapen om het even,
en ademen een doen alsof —
met deze dood valt niet te leven.

Een dag als deze, niet geleefd
en niet gedeeld, vol onvermogen —
een herfstblad dat te gronde zweeft,
en tranen die om niets verdrogen.

Een dag als deze, overbodig,
en zonder einde of begin,
ik heb noch hem noch hij mij nodig —
geen walging zelfs of tegenzin.

Een dag als deze: afscheid, afscheid,
en nagloed van een stervend vuur —
voordat mijn arme wereld splijt,
wat hoopt men nog dat ik verduur?

November en er valt wat regen
Dat is soms doodgewoon een feit
J.C. Bloem kon er niet tegen
Die zei: dan regent het altijd

En zijn hart bleef altijd leeg
Ondanks al dat hemelwater
Dat hem tot de lippen steeg
Maar dat merkte hij pas later

Het zal ons niet overkomen
Wij heel anders dan de dichter
Met beide benen op de grond
Zien de zaken heel wat lichter

Regen mag soms rijkelijk stromen
Bloem had veel te natte dromen

Ik min de natte maand november niet,
daar die zo grijs is en zo fel zijn kracht
uitplooit in ’t zwerk.

Komend met donker-koele oostenwind,
heeft hij de herfst gezonden en begoot
toen vrij het droeve hart.

Nu jaagt hij razend op het watervlak
en wenst steeds meer….

Tinus Derks

Regen, regen, regen, glinsterende wegen
zwart spiegelend en nat
vallende bladeren,
het is glad
een donkere lucht jaagt de zon  op de vlucht
dikke druppels biggelen langs ramen
als waren het  tranen
opspattend water
doorweekt als een verzopen kater

regen, regen, regen
het wassende water is tot mijn lippen gestegen
hard stromen door goten papierjes als boten
vensters zijn beslagen
mensen vervormen en vertragen als in een droom
tot gedaanten in spuitende stoom
want als de goden huilen
kan men nergens schuilen.

Twan van Dijk

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!