Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

‘Op de poëzie van Ida Gerhardt,
(1905-1997) valt nog wel wat af te dingen.’
Classicus, dichter en criticus
Piet Gerbrandy, wilde het toch maar
eens gezegd hebben.
Op verzoek van het Ida Gerhardt Genootschap
hield hij een lezing.
Gebrandy bleek zo weinig geporteerd
van het werk van de nog altijd zeer geliefde,
en veelgelezen dichteres,
dat hij door zijn gehoor bijna gelyncht werd.

‘Hoe vaker ik haar bundel “Het Veerhuis” las,
hoe agressiever ik werd’.  Aldus Piet Gerbrandy.
‘Het is zelfingenomen, platte poëzie
van iemand die vervuld is van haar talent,
en daar de hele tijd over praat, zonder dat
verder uit die bundel dat talent blijkt.’

‘Literatuur gaat over wat het betekent om
de menselijke existentie te verduren.
En daar zit het probleem:
Gerhardt ontloopt de existentiële problemen,
door het alleen te hebben
over het feit dat ze in staat is over
die existentiële dingen te praten,
wat ze vervolgens niet doet!’

Michiel van Hunenstijn

Variatie op Poesjkin’s “ik hield van u”

Een schoolmeisje verliefd op de leraar Frans.

Ik was gek op u, die gekte is misschien
Nog niet voor eens en altijd gans genezen
Maar van gezeur wou ik u graag ontzien
Ge zijt nu dood, van mijn hunker niets te vrezen.

Ik was gek op u, door timidité gekweld
Het enige dat ik nog altijd durf te hopen
Is, dat ik met zo’n zachtheid, zo’n gevoelsgeweld
Een nieuwe leraar Frans tegen het lijf mag lopen.

Melodie: Streets of Laredo

De spruiten zijn bruin en van dagen geleden,
ze liggen als algen geprakt op mijn bord.
De piepers zijn hard. Met geblakerde korsten
vertellen ze mij dat het kliekjesdag wordt.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

De soep is vol drijvende geel-grijze vellen
van vlees dat misschien bij een kip heeft gehoord.
Vermengd met wat slierten, ik denk van eergister,
lijkt dit gerecht meer op volkerenmoord.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

Maar toetjes – bezinksels van allerlei pakken,
van griespap, tot yoghurt en vaak dubbel-vla –
die slurpen wij gretig uit kleurige schalen.
Want, wie overleeft krijgt een borreltje na.

Zo is het met dichters en met hun poemen:
het betere wordt vaak op ’t leste gezegd.
Niet alles wat ‘kliek’ is, is daarom ook slechter.
Ook na-komers hebben een erfenisrecht.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik min jou hartgrondig omdat wij dan horen
de verzen, de woorden, tot nu toe bewaard (2x).

Alfred Bronswijk

Ik zie U elke nacht,
Gij zetelt aan de andere zijde,
slechts gescheiden door straat
en twee maal vensterglas.
’s Nachts wenkt U mij,
baken in de eeuwige duisternis
tussen de shampoo, de waaiers en de mie.

Uw troon is hoog achter de etalageruit,
boven de potjes met het vreemde etiket.
U glimt en glinstert in het duister.
Open ik  het gordijn omdat ik u dan zoek,
dan wenkt u, verheven boven het daagse van
de vijzel en de kommetjes en al het bamboespul
en de reclame voor goedkoop bellen naar Somaliland.

Kat van Kim Lan, van schemer tot
het zwartst van de nacht,
Uw wenken begeleidde me al die tijden.
Nu bent U verstild, uw arm verstard,
Bent u nu zelf uitgezwaaid?

Uw blik boort zich naar de overkant
ik voel hem star op mij gericht,
is het een verwijt, heb ik iets nagelaten,
had ik wellicht moeten oversteken?
Is het uw tijd die gekomen is,
of, ik schrik, misschien de mijne?

Michiel van Hunenstijn

Verdorven ooievaars leveren in deze schaarse tijd slechts derivaten af. Volgens bekende ervaringsdeskundigen en wetenschappelijkers moeten we ons voorlopig tevredenstellen met een onverbeterlijke, ongeneeslijke gezondheid naar lichaam en geest.

Ondertussen verdwalen we in priemgetallen en dolen we in cirkels rond. We verschuilen ons in metaforen en verstoppen ons achter schuttingen, zelfs als de zonnige ochtendglorie nog maar net in de lucht hangt. Dit vergeefse pogen gaat de hele dag door tot de verschemering ons in schimmigheid hult en ons voorbereidt op de verdonkeremaanse nacht die al ons falen toedekt.

Ons denken vindt hooguit ondergrondelijk plaats en steekt maar zelden boven het maaiveld uit. Het mist concentratie en belemmert de coördinatie van het in aanleg wondere leven van onze implantaten, ledematen en andere in- en uitsteeksels. Het staat ons bovendien in de weg om op sterfelijke wijze de eeuwige rust in te gaan.

Experts spreken van een mechanisch defect bij de ooievaar, veroorzaakt door een verraderlijk radertje in de hartstreek. Hierdoor lijdt de vogel aan schorre verschreeuwing die scheuren grift in de innerlijke klankbodem van kinderen.

Wie keert het ooiegevaar!

Jan van Laar

Vertaling van het gedicht: Manifiesto Inicial Del Humanista van Santiago Montobbi (Barcelona, 1966)

De zaak van de woorden die nergens toe dienen,
of om te leven slechts, is een kleine zaak.
Maar als je iedere dag zekerder weet
dat je kransen niet alleen afwijst
maar er ook steeds meer van gruwt,
als je van je al failliete intellect werkelijk geen prostituee
wilt maken die haar borsten of haar ziel verkoopt
aan ieder stiefkind van het geld, of als je eenvoudigweg
weinig nodig hebt en het alleen belangrijk vindt
het leven en zijn treurnis waardig te dragen
zou het beter zijn dat je vanaf nu
je onontkoombare straf van eenzaamheid en mislukking aanvaardt
en dat je als lichtend of blind stofje van de sterren
die kleine, belachelijke zaak omarmt,
dat je dit van ganser harte doet en dat in je lege kamer
de woorden van het vuur in as verkeren, elkaar bestormen
en achtervolgen, en in hun eenzame nacht
verkillen door het zeggen van jouw naam.

korte tekenfilm

“Tijd is koetsier
op een beladen wagen.
We stappen ’s morgens in
Vooruit, raast voort, zo snel het kan!
In de middag komt de angst,
we zien ravijnen,
’s avonds, half in slaap,stappen we uit
en zien de tijd verdwijnen.”

We misten Poesjkin….
verdroeg niet langer vernederingen
van ballingschap, intriges en censuur.
In de middag uitgestapt
na een duel.

“Ik heb mijzelf
een standbeeld opgericht,
niet met mensenhanden,
maar met de woorden van het volk,
dat altijd een open weg
erheen zal bevinden.”

Fier en zelfbewust
is hij weer ingestapt,
bevrijd van nijd,
en reist onafgebroken
met het leven door de tijd.

Nele Holsheimer

Bron: Puschkin, in ‘Russische Lyrik’ , 1987 / Der Wagen des Lebens, 1823 /   Exegi monumentum, 1836

Demonen van ontrouw en overspel.

Wolken razen, kringelen omhoog
De nacht is waas, gelijk de hemel
De maan, onttrokken aan het oog,
Verlicht het pollenpluisgewemel.

Verder in het vrije veld, fiets ik
De dynamo driftig aan het zingen
En- of ik wil of niet- ik heb schrik
Van de vlakten die mij omringen

Kom, droeve vrouw, wat is dat voor gemier?
‘k Ben aan het eind van mijn Latijn, na al die jaren,
En door tranen van een voorgevoel zie ik geen zier
Mijn liefdespad loopt dood hier, einde aan het paren.

Alles in me gaf ik, maar bijster ben ik nu het spoor
‘k Ben hopeloos verdwaald. Wat nu gedaan?
Zie, in het veld leid mij een wat? …een demon?… voor
Gekraak van takjes hoor ik, of … is het slechts een waan?

Kijk daar, welk beest gooit daar zijn remmen los?
Hij spuwt op iets, blaast rookwolkjes van mist
En stampt bukkend in een struik als dol geworden vos
Drijft hij als Onan zich een aardkloof in, verspilde list?

Géén aardgrot is het, nee, mijn God, het is die zedenloze bonenstaak
Waar hij ook was verscheen zij prompt, die duivelin voor mannenogen
En maar pronken, flirten en fonk’len, ja nu is het vonkje raak
En haar duist’re kloof heeft hem volledig ín zich opgezogen.

Wolken razen, friemelen omhoog
De nacht is dwaas, waar is de hemel?
De maan verduistert voor het oog
Het promiscuë pielemuisgewemel.
Het liefdeshijgen is nu plots verstomd
Ik sta hier roerloos, verschraald is nu mijn kracht
Is hij het écht, daar in het veld? Wel ja, verdomd!
Míjn grote liefde, wolf in schapenkleren; ik hier Bambi, wacht.

En zij maar lachen, briesen, voelen echt geen enk’le wrevel
Terwijl in mij de woeste storm raast, wanhopig huilt en giert.
Zie daar, zij draven nu opnieuw een weg in liefdesnevel
Die door haar vuuroogjes zo vrolijk wordt versierd.

Zij zijn in draf nu, de feestende beesten
Geluiden van lieve lust terwijl zij rijden
Vormen in mij een samenkomst van boze geesten
Op zwartgeblakerde vlakke dorre weiden

Het zijn oneindige gedrochten
Daar in de troebele maneschijn
Rondwervelend in kromme bochten
Alsof ze lentegroene blaadjes zijn.

Met zovelen zijn zij, de ontrouwen, waartoe gedreven?
Waarom zingen zij zo driest en hol
Waarom verliet de geest hun zielenleven
En vieren ze het trouwfeest van een kol?

Wolken razen, wringen zich omhoog
De nacht is donker, er is geen hemel
De maan, gekrompen tot een boog
Verduistert mijn gevoelsgewemel.

Demonen van verraden liefde razen in een zwerm
Onder mijn oeverloos almaar vragende hersenschijf
Krols gekir en gretig hijgen en soms een klagerig gekerm
Jagen mij, steeds maar stijgend, stuipen op mijn verguisde lijf …
                                                                                         
Neletta van Heuven

Vertaling van een aforisme uit 1866 van de Russische schrijver Fjodor Ivanovitsj Tjoettsjev  (1803 – 1873)

Op Rusland loopt de rede vast,
Het gaat gemeen begrip te boven:
De maat geen enkel meetlint past –
In Rusland kunt gij slechts geloven.

Pieter Bas Kempe

G.C. van Heeckeren, geboren d’Anthes
doodde zijn zwager Poesjkin in een pistoolduel
zelf raakte hij slechts gewond aan een arm
hij schreef daarmee geschiedenis in Rusland
maar trok een bloedig spoor in de poëzie
de echo’s van de schoten reikten tot hier.


Louis Radstaak, zittend als ‘suppoost’,
september 2011 in het Pushkin Museum te Odessa (Ukraïne)

Louis Radstaak

Aan mijn studievriend  Adriaan, salonfilosoof die psychiater werd, van mij, filosofe, die psychologe werd.

Niet lang werden we het hof gemaakt
Door het bedrog van vrijheid, roem en trouw.
Reeds is ons filosofisch bomen in vergetelheid geraakt
Zoals vervlogen dromen, zoals de dauw.

Maar ons verlangen is nog niet versmacht
Want op de bodem dampt ons ongeduld.
Gebukt onder ’t juk van triviale twitter-macht
Horen wij knarsend wat ons land aan Rutt’-zooi brult.

Ons verbijtend zijn we aan het wachten
Intussen díchtend over het verleggen van de dijken
Zoals geliefden in daden en gedachten
Geen seconde van hun passie kunnen wijken.

Want, geloof me, vriend, branden zal het vuur
Onze twijfels, onze poëzie, het zal beklijven
Nederland zal eens ontwaken op den duur
Op de ruïnes van onze verloederde Frans Bauer en Brit-cultuur.

Neletta van Heuven

Naar Solzjenitsyn

Als iemand zegt:
‘Zìj schenden vaak een mensenrecht’
als iemand zegt:
‘Wìj zijn dus goed en zìj zijn slecht’
als iemand zegt:
‘Dat is een door en door arglistig man’
is dat nìet waar, want
ook in mij, in ons, in U verdringt
èn kwaad èn goed, verspringt
de lijn, verschuift de grens
van eerbied voor een ander mens,
zodat ook U en ik en wij
verscheiden malen schuldig zijn.

Hebt U nooit voor de kuil gestaan
om er een ander in te slaan?
Al in de oudheid had men dit besef,
want ‘Ken Uzelf’ zei Socrates.
Van goed naar kwaad is maar één zet,
van kwaad naar goed volgt ook die wet:
Als iemand zegt:
‘In ons rust wit, in hun slechts zwart’
is dat niet waar, want
beide zijn in ieders hart:
èn U èn ik èn wij
zèlf moeten we oplettend zijn.

Marianne Sorgedrager-Van Halewijn
(februari 1986)

Vanmorgen maakte ik een wandeling met mijn ziel,
niet lang, een hoogst bescheiden rondje langs het water.
Wij gingen woordloos voort, het wereldse gesnater
ver achter ons, en peilden hoe de liefde viel.

Geen mens die storen kwam in dit verloren uur,
geen levend wezen, plant of dier, dat zich verroerde,
slechts licht en duister die elkaar om strijd beloerden —
en wij, wij beefden van het doorstane avontuur.

Haar weerloos makend stemgeluid, haar warme blik,
haar troost biedende hand en zijdezachte wangen —
niet eerder waren wij zo onvoorwaardelijk gevangen,
zo willoos in haar ban, mijn arme ziel en ik.

Niet eerder waren wij bij Liefde zo tehuis
en kenden zo de weg naar alsmaar groener velden,
waar minnespel en ogentaal al was dat telde —
de rest was onverschillig achtergrondgeruis.

Wij rekenden ditmaal op een standvastig lot
dat ’t einde zou beduiden van ons ledig zwerven
en weerstand bieden zou aan leed en zelfs aan sterven —

Toen, in de verte, klonk de echo van een schot.

Herman Posthumus Meyjes

‘niet je ziel moet zuiver zijn, maar je stijl’

Georges D’Anthès, ongelooflijke lul, klootzak dat je bent!
Wat moest je nou met dat pistool, sodomiet!
Heb je nou je zin, bedwants, met je snorretje.
Wilde je door dat duel zo je plekje in de geschiedenis?
Je hebt de zon van Rusland gedoofd, je hebt,
de buurman van God naar God geschoten,
en en passant, Neerlands blazoen besmeurd.

Poesjkin je bent dood. Maar Poesjkin, je leeft!
Poesjkin! Op die camping ergens diep in Frankrijk,
luisterde ik, drie cd-lig lang, naar je Jevgeni Onegin.
En, ook al kende  ik de tekst, en wist ik wat ging komen,
toch liet ik een traan bij het eind – het lot, het verdriet,
tjak, rechtstreeks naar mijn hart, onontkoombaar.
Want ook ik was ooit een Jevgeni en ook ik had ooit
een Tatjana lief – en heb haar natuurlijk verloren.

En heb ik het van jou, ‘hoe dichter bij de hemel, hoe kouder’?
het paste gelijk zo. Het zat als gegoten, ondanks
dat je zo ver weg was in afstand en tijd.
Poesjkin, mijn enige ingezonden brief in het NRC, ooit,
betrof jou, en je verwisseling met Czar Poetin, godbetert!
Maar Alexander, ik heb het voor je opgenomen
en rechtgezet. Graag gedaan, en we schrijven!

Michiel van Hunenstijn

Een voor droeve bedoelingen volmaakt toegerust meisje mijmerde,
stijfjes voor zich uit starend, over het onheil voorspellende sterven

van een hert zonder gewei dat aanstaande was. Zelfs de verheven bomen zwegen, hoewel zij hoger reikten dan redelijker wezens met

hun onverschilligheid voor transcendente dimensies. Het meisje liet haar van droefheid doorbloede blik rusten op de rustieke maar kale

hertenkop, terwijl ze – tegen beter weten in – met open ogen bad om de doorbraak van het gewei. Toen ze haar ogen sloot zag ze de

opgaande, kronkelvaardige tweetakkigheid van het gewei op onvermoede wijze uitmonden in een tedere verstrengeling van

bovenaardse bevalligheid. Dit gaf haar de moed de metafysische machten in dit speciale vriendschapsjaar te bewegen een groot

Russisch dichter naar ons land te sturen, ons land dat weliswaar laag gelegen en door crises diep gevallen is, maar vurige

verlangens kent. Zij in ieder geval zou zich door bijvoorbeeld Poesjkin graag laten verleiden. Immers, achteraf bezien was dan

het duel met fatale afloop, waartoe de dichter zich jaren geleden door een rivaal liet verleiden, niet nodig geweest. Poesjkin

verdiende een herkansing! Kreeg hij maar verlof haar hartenwens te bevredigen en ons lamlendig landje met een kroonwaardig

gedicht op te frissen. Misschien waren de hoogverheven heersers  gevoeliger geweest voor een hemelbestormend gewei dat niet

alleen door fantasie was gewijd. Toch waren ze het meisje grootmoedig ter wille: ze verhoorden haar bede, maar – mogelijk

onder de indruk van de ontijdige dood van het hert – op een onzorgvuldige manier: bij vergissing stuurden ze iemand die alleen

qua klank op de dichter leek: Poetin.

Jan van Laar

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!