Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

(ode aan de nar)

In een vastgeroeste kooi zit hij, de koning,
Met zijn geboorterecht op macht,
Door veel pracht en praal verzacht,
Wie mag honen zo’n vertoning?

Ivoren torens beschermen zijn troon,
Elk is voor hèm in dit koningsspel,
Waar zijn tred als een stropdas knelt
Hunkert hij heim’lijk naar spot en hoon

Wie verlost de koning uit zijn kooi,
Voor wie mag de loper soms uitgegooid,
Waar is de nar in het schaakspel gebleven?

Ik zag er met een aap ooit vier,
In plaats van torens, zoals nu hier,
Dáár is de nar in het schaakspel gebleven!

Wim van den Hoonaard

Naschrift:
In het Rijksmuseum (collectie Middeleeuwen) is een schaakspel met narren (met apen op hun rug/schouder) i.p.v. torens. Voordat ik het tegenkwam, had ik al het idee om iets te schrijven over een nar in een schaakspel.
(vergelijk ook: het Narrenfeest: een korte periode in het jaar waarin de narren de ‘feodale heersers’ mochten vermaken door ‘alles te mogen zeggen’, met veel spot en hoon; en humor denk ik).  
        
Mijn naam schijnt afgeleid te zijn van Hogenwaard/Hoenwaard -hoge uiterwaard-; heeft dus niets met ‘honen’ te maken.. 

Monarchen, belhamels zie ze schallen
Voortdurend laten zij de flessen knallen
Plop zegt de kurk en die schiet ergens heen
Gierend gaan zij op weg en zien ‘zij’ iedereen

Knikkend, buigend gaan ‘zij’ door met deze façade
In de hoop erbij te horen maar worden ingevroren
Omdat Vorst en volk nooit verwanten zijn geweest
Tis net een vrieskou en men ziet blauw van de kou
De mens is nog ‘altijd’ hoogdravend bezig om deze troon
tot de hemel te laten groeien met hun handen in de boeien

De meerderheid kan hier niet tegen omdat ieder ‘t zelfde is
We zijn mensen van vlees en bloed met of zonder ‘blauw’
De blauwe mens voelt zich verheven boven jou
Maar laat ons bijna eeuwig staan in zijn of haar vrieskou

De vrieskou waait over ons heen en de vorst sabbelt op zijn fopsteen

© Violet Asseruit Mane

Nog ligt het veld waterloos, geen strenge vorst verwacht
doch een keizer, ‘zo kuis als ijzer’, zegt
Goethe over hem, hij die zich in Leipzig dorst te wagen,
de stad torst de herfstdracht van haar lindebomen
dan breekt bruut de reeds verwonde ring van beleg
die om de ongelukkige was geslagen, in verwondering
ziet het volk de vijand door de poorten komen.

Stormenderhand nemen ze de bruggen
alsmee de vrouwen, zonder woorden
van enig kritisch verstand de hoge heren
van deze rijken, de Pruis in z’n element
de Zweed uit het rijk van het koude noorden
uit de oost de Wener en ook de wilde beren
van de Berezina melden zich present.

Op de lange mars gingen zij allen
naar de volkerenslag, de slacht
twee volle eeuwen terug, vallen
zullen ze met meer dan honderdduizend
om op vreemde bodem te creperen
zij staan niet meer in hun kracht
zou nu wellicht de taalgeilaard oreren.

In dit uur zonder mededogen, geen steek
voor ogen, slechts hoop op een van genade
water en vuur regenen gelijk een bombardement
le grande armée verslagen, ouwe lullen en jongeheren
geronseld uit menig Hollandsch departement
werden van de kaart geveegd en ik warm me
aan het vuur van mijn open haard.

De legers vanuit het noorden dreigen
de heilige vrijheid en ten leste een ieder
uit te moorden, anderen kunnen hier de tering krijgen
of de kolere, vlucht uit deze veste over de rivier
maar de brug wordt te vroeg opgeblazen
ontelbare doden – ondoenlijk om ze te verzorgen
zelfs voor de goden om ze te begraven.

Zo doemt op uit de mist een nieuw Europa
ik volg vandaag de slag na tweehonderd jaar
op de verziener in mijn tweede huis en land
op veilige schootsafstand van daar, in die lindenstad
studeerde kuis als ijzer keizerin Angela
ik dagdroom van al haar impotente drones
en ‘de kleine Guillaume’, haar verkrachte Nokia.

© Dick van Welzen

Vertaling van het gedicht: El cóndor van Pablo Neruda
Ik ben de condor, zwevend
hoog boven jij die wandelt,
en weldra, in een wirwar
van wind, gekras en veren,
stort ik mij op jou, hef jou
omhoog in schril gewervel
van ijzingwekkend stormtij.

Mijn verre sneeuwen toren,
mijn diepe zwarte schuilplaats
is waar ik jou breng:   eenzaam
leef jij, krijgt langzaam veren,
zweeft ver boven de wereld
en zonder te verroeren.
Wij, condorwijfje, storten
ons op de prooi en sleuren
daaruit het rode leven,
met hartslag en al: zweven
dan zij aan zij de lucht in,
op nieuwe wilde wegen.

Pieter Bas Kempe

Vertaling van het gedicht: En Tal Tarea van Santiago Montobbio  

Niemand weet van de stille last van het duister
of er is altijd iemand die nog meer lijdt, die met alle pijn
in stilstaand water niet weet welke gevallen god
of herinnering het lukken zal
de kille, scherpe lach van de nacht te verdrijven.
En niemand weet van de nare last van het najaar
of van het duister, het dichte omhullende niets niemand weet
wie altijd meer lijdt, wie door pijn
wordt overvallen en nooit weet
waar het vandaan kwam noch hoe
het zich zo diep in hem nestelen kon, en maar blijft hangen,
halsstarrig, pijn of duivel met duizend gezichten,
die iedere stap tot modder maakt,
vretende pijn van uit te bannen dolken
die maakt dat het duister in je duisterder wordt
dat je namen afsluit en ramen
in de nutteloze opeenvolging der dagen
weet niemand het, vertelt niemand
hoe je eraan ontkomt of hoe je het omzeilt.

Klaas Wijnsma

In de Pracht van Macht
als in het oog van een orkaan
ligt de Kracht waarmee Macht
zichzelf omringt in haar bestaan.

Erica Rekers

Macht is in dit land
een beetje een vies woord.
Nou…..een beeeetje vies?
zeg maar gerust obsceen!
Die goeie, ouwe, zwaar besnorde Nietsche
heeft zijn mooie, dikke boek
niet voor ons geschreven:
Der Wille zur Macht.
Daarvan willen wij niet horen,
dat schrikt ons af,
want niemand is hier machtig.
Men mompelt vroom iets over invloed,
goede gesprekken achter de coulissen.
Maar praal? Praal me daar niet van!
Bij ons zit praal alleen maar in pralines
(en dan ook nog van die Belgische….),
als praalhans sta je d’r niet best op!
Toch zijn er hier nog wel wat machten,
zoals de luchtmacht en de landmacht…
Maar die mogen ook niet pralen
met hun nieuwe wapentuig.
Nou, de zeemacht dan?
die noemen we Marine,
Koninklijk nog wel!
Net als te land en in de lucht.
Maar daar wordt ook het ene
na het andere schip verpatst!
Ja beste mensen, er valt
niet veel te pralen in NL.
Maar, pruilen doen we ook niet,
al wordt het ons soms te machtig.
Vroeger had je nog het Socialistisch Strijdlied:
Aan U, o Volk, de zegepraal!
Moge dit gedicht u aan het denken zetten:
praal onbekommerd met uw dichtkunst.
Want….gansch het raderwerk valt stil,
Als uw machtige pen het wil!

Cees Leliveld

Is het de macht van de nacht,
dat hij de hele wereld, nou ja, de halve eigenlijk,
op zwart zetten kan? En is dat zijn praal,
dat oneindige sterrengeblink?

Is het de rivier, die machtige stroom,
die alles op zijn weg opstuwt en wast?
Drenkelingen wiegt, en op weg naar het nieuws huizen verwoest,
en die op zondag een spiegel voor de zwanen is?

Is het de vrouw, haar heupengedraai,
het borstengepronk, de buik- en billenpracht.
Dat ze zwaait met d’r haar, blikt met haar ogen.
De lipjes netjes gevouwen, geheimpje, niemand zeggen.

Is het de macht van de metastase,
die dappere eigenwijze cel, die naar
verboden plaatsen gaat. Is het de praal
van die dansende delende cel?

Is het de macht van het doek
die de mensen in de rij laat staan.
De magistrale toets, de fraaie streek,
de mystieke ervaring, tot tranen geroerd?

Is het de macht van de dood, de lange stoet
is het de praal van de bloemen op het graf
de ziel van de vlinder naast de Bob de Bouwerballon?
Zijn het de wormen, is het de macht van de lokkende eeuwigheid?

Michiel van Hunenstijn

De macht en pracht van een…

druppel

Parel in de golven
Versmolten tot regen
Hoe lang les je nog mijn dorst?
Oog van volmaaktheid
schitterend  op een lenteblad
Een holle steen vertelt me
Heel zachtjes jouw geschiedenis
Luister naar de druppel
spreek met oceanen
Wat er is in overvloed
hardheid wordt verzacht
Als druppels hun gang
maar kunnen gaan.

_____________________________

Macht en pracht

Rollen vertrouwd
Huid van een ander
Onbekend niemandsland
Onbegrepen signalen
Draaien en keren
Machtig onmachtig

Staan in de kilte
Kou die niet keren wil
Waarom was jij er niet?

Dick Smeijers

De kunstenaar en de koning,

Een blauw steentje hier, een blauw veertje daar,
de satijnkleurige prieelvogel versiert zijn prieel
om vrouwtjes te versieren, hij schikt en
herschikt en een blauwe bes wordt ververst,
soms ook een klein dingetje geel, niet te veel,
zo lokt hij een vrouwtje in zijn versierd kasteel,
zij laat hem daarna alleen met zijn kunst,
en bouwt voor de rest zich een eigen nest.

De koning werd uitzinnig van begeerte
bij het zien van de blauwe steen, de kleur
bedwelmde hem, hij rook eraan, geen geur,
geen smaak, toen hij zijn tong het
glanzend blauw liet strelen:
„Bezet het land, waar zulk gesteente
wordt gevonden en maak het volk tot slaven!“
Toen alle stenen waren uitgehakt,
de poort voor duizend jaren was gebouwd,
lag heel het slavenvolk doodstil in graven.

Mensenkinderen, neemt in acht:
Macht en Pracht zijn sterk verdacht !

Nele Holsheimer

Macht en pracht paren saam
Eeuwen geleden al
Huizen hoog in het groen
Nooit iets te kort

Showbizz op stand  gezien
Monument-én-dagen
Volk loopt te hoop en hoe
Het heurt weet Jord

Sieth Delhaas

Alvise Pisani,
de 114e doge van Venetië,
liet 30 kilometer ten westen van de stad
een paleis bouwen
met 114 kamers:
Klein Versailles.
Giambattista Tiepolo
decoreerde de balzaal met fresco’s.

Enkele decennia later
kwamen de Fransen.
Zij stuurden de laatste doge
de laan uit.
Einde van een duizendjarig rijk.
Villa Pisani bleef
en werd gekocht door
Napoleon.
Napoleon ging
en Villa Pisani bleef.

In 1934 ontving
een nieuwe doge,
ook wel duce genoemd,
er Adolf Hitler.
Dat was iemand met plannen
voor een nieuw duizendjarig rijk.
Maar ook hij
had de wind niet mee.
Zijn compaan evenmin.

Villa Pisani bleef,
is nu Nationaal Museum.

Leen de Oude

Heerschappij is een dodelijke macht,
een machtsgevecht tegenspreken,
het komt ieder duur te staan,
en ontneemt je de pracht, omdat er –
mensen willen overheersen en regeren.

Weet het komt niet door bloemen of dieren,
zij hebben geen weet van deze kracht,
het is de mens die zich laat verloederen,
en men misbruikt deze macht.

Geloven in pracht is ieder eeuwig gegund,
zie het leven en zijn doorstane golven.
De Glans zoeken, getuigt van eeuwige moed,
met bezieling krijgt men altoos weer gloed.

Ons heelal wil iedereen behoeden, tegen die,
die zich hoger waant met de hoogste macht,
De Alkracht.

© Violet Asseruit Mane

Een meisje in de bloei van puberteit
Hoe diep verstopt al haar verlangen
Ternauwernood ontvlucht de kindertijd
Pop wordt slinks door prins vervangen
Ze droomt haar hartstocht dag en nacht
In een landhuis, vol praal en pracht
Dat heeft ze uit kasteelromans gehaald.

Hoe moet een kind van echte liefde weten
Als haar jeugd verscheurd wordt door het tegendeel
De blik van moeder die haar grieft als tekenbeten
En altijd het gevoel, ook als zij stil is, toch te veel
Zo niet met vader, huisarts, in zijn Volvo door de Voorster dreven
Dan vliegt soms onverwacht een vleugje liefde langs, voor even
Hij schampt haar wang en houdt een pepermuntje voor, zo een van King.

Hij herschikt zijn haren in de spiegel, trekt jasje recht, bezoekt de boerderij
Dan als bij toverslag blijkt in een brede bocht het droomhuis te bestaan
In machtig praal en pracht, verscholen in het lover maar van bomen vrij
De ramen met gordijnen als geloken ogen kijken haar verlokkend aan
Voortaan worden al haar prinsendromen op dit huis geijkt
Ze hoefde niet te weten hoe het heette, dit Kleine Noordijk
Het werd haar toevluchtsoord, weg uit de alledaagse knel.

Zondagochtend in de sponde spint zij haar geheime dromen
In de balzaal maken prinsen haar het hof met zang en dans
Stoere jongens van de HBS, maar het mooiste moet nog komen
De laatste dans is … telkens weer … voor haar aanbeden leraar Frans
Een storm van prille feromonen fulmineren in een zinderende zoen
Puur geestelijk genot, de beloften van haar lijfje lagen nog verborgen, toen
Dan breekt moeder in, trekt ruw gordijnen los, van de hemel in de hel

Vele jaren later, illusies armer, naar prinsen nu wantrouwend
Zoekt zij de liefde enkel nog gesublimeerd: in schilderkunst en literatuur
En in muziek, ook dat kan je verwarmen en is daarbij opbouwend
Je kunt de dosis zelf bepalen, maar bevrediging is slechts van korte duur
Zo valt haar oog op Lenny Kuhr bij Stichting Cultuur Kleine Noordijk
Ze rijdt er in haar eentje heen, op haar Tom-Tom, over de Wilpse dijk
Plots ziet ze haar kasteel, ogen geloken, ‘t al in toverlover vertaald.

Toch niet daar? Droombeeld mag je niet met echt bestaan verstoten
Bestemming bereikt! Geroezemoes stijgt uit het koetshuis op, ‘t is in ’t bos
Zij is te laat, de stoelen op, ze krijgt een kinderstoel op hoge poten
Lenny zingt “En wie ben jij?”, koert alle pijn onder haar boezem los
In de pauze naar de hal: een man herschikt zijn haren in een spiegel
’t Zit goed hoor, zegt ze en hij kijkt haar aan, zij voelt een vreemde kriebel
Hij offreert haar witte wijn, blijkt arts te zijn, aan zijn hand geen ring

Of het zo moet zijn wand’len zij na afloop saam naar hun voitures
Al keuvelend over kastanjebomen trekt hij zijn jasje in de plooi
Maar dan: daar staat haar mini, ernaast zijn Volvo, zo’n hele grote dure
Nu komt dat stil moment waarin iets wordt bekend, pijnlijk of mooi
Even maar schampt hij met grote mannenhand maar teer haar wang
En zet dan koers naar zijn moderne koets, ook hij voor meer nog bang?
Beiden zitten, openen portieren, laten ramen naar beneden om te zwaaien

Dan gebeurt iets wonderlijks, hij stapt weer uit, ziet hij toch nog kans?
Hij houdt iets in zijn hand, brengt het voorzichtig voor haar neus
Het zijn z’n ogen die de hare onverholen nu … aaien
De voorgehouden buit is, heus, een pepermuntje, zo een van King
À propos, zegt hij erbij, mijn naam is Frans.

Neletta van Heuven

van heel je hooglied Aïsja
toon je slechts de
rondingen van je ogen

die verraden schoonheid Aïsja
heerlijker dan wijn om
snikkend te omhelzen

alle andere blijven Aïsja
met meetkundige precisie
verborgen onder je gewaad

welke huistiran maakt Aïsja
van jouw lusthof een verzegelde
bron van levend water

welke praalhans verbiedt Aïsja
de rozen van het leven
vandaag nog te plukken

je weet toch wel Aïsja
dat genieten een niet te
vervreemden mensenrecht is

Tinus Derks

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!