Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Ik loop met mijn buurman door de stad. De man is blind,
maar ziet nog elke dag de oorlog voor zich, hoewel hij
die slechts uit de verhalen kent. Zijn verbeelding krijgt

de overhand zodra hij daarover gaat vertellen. Hij is dan
gewapend, loopt bij vuurgevechten soms een schotwond
op, verliest geen druppel bloed, staat altijd aan de goede

kant van het geluk en roept commando’s die hij midden
op straat nog onderstreept met de gebaren van een
overwinnaar. Op dat moment toetert een auto hem het

voetpad op, waarna wij samen op een bank proberen te
bekomen van de schrik. De buurman zegt: ‘Wat ik vertelde,

heb ik écht gezien.’ Ik wil hem wel geloven, toch zeg ik: ‘Zelfs
als blinde zie jij nog teveel.’ Dan wandelen we zwijgend verder.

Jan van Laar, oktober 2021

ik liep eens langs
de waterkant en schreef
tijdelijk
in het
altijd
natte Noordzeestrand

Wim van den Hoonaard, oktober 2021

Ooit was ik een jongling met blond krullend haar.
Liep als kind heel wat af, van heinde naar ver.
Lichtvoetig en dartel was ik, het viel mij niet zwaar.
Met het verstrijken der jaren verbleekte mijn ster.

Nu rest mij nog slechts de schaduw van een roemrijk verleden.
Mijn haar is nu grijs, mijn leden zijn stram,
niet langer doorschrijd ik de landen, de dorpen en steden,
viel ten prooi aan verval, dat geleidelijk kwam.

Ach, ver weg is de tijd dat ik moeiteloos bergen beklom,
in brandende hitte, in loeiende storm, in gutsende regen.
Met een noodgang naar boven en lachend weerom,
het deerde mij niet: kon overal tegen.

Of anders, een dagmars met dubbele cijfers in mijl’
over meerdere dagen met slechts ‘s avonds wat rust,
in moordend tempo, waarbij soms enig verwijl’
met Wein, Weib und Gesang, in uitbundige lust.

Mij ziende, hoe ik nu ben, zult u mij nauw’lijks geloven
hoe ik ging door de steppen, de wouden, het land van de boeren…
Maar die herinneringen komen bij mij weer naadloos naar boven.
Ja, die beelden van toen kunnen mij nog hevig ontroeren.

Maar, nu is het gedaan zei de koopman met een lugubere grijns:
er is een tijd van komen en een tijd van gaan.
Ik ontstak wel in drift maar verzonk ook in gepeins
dat ik het sloopwerk der jaren niet had kunnen weerstaan.

Toch zou ik nog één keer door het lint willen gaan
zodat er nog heel lang over mij wordt verteld:
hij heeft de kramp in zijn benen en de blaren doorstaan.
Op zijn oude dag werd hij toch nog een held!

Cees Leliveld, Texel, oktober 2021

Een uitvoerige inleiding met 20 bijdragen over wandelen door de eeuwen heen van de hand van Dick van Welzen. Van Aristoteles tot Albert Einstein en vele anderen.

Lees het online of download het bestand (PDF)

daar waar steen niet is wuiven
blad en hand samen, zo vaak al
zat ik op de bank van de rivier
schijnlijk aan het einde
van dit pad naar ’t Zandgat
ik kwam om de nieuwe herfst
te ruiken bij het breken van de ochtend

daar waar het uur zich niet versnelt
duiken dieren, liet ik in deze uiterwaarden
wereld steevast naast mij een plekje vrij
is leeg altijd een gemis? het gat
in een donut, ook de opening
van een meisjesring dienen hun doel

daar waar het duister meelopertje
mij alleen bij zonneschijn volgt
om onttogen terug te keren van wie
ie nooit was om soms, heel soms,
naast me neer te strijken, nu nog
messcherp getekend, maar
onherroepelijk wachtend
op het verstrooide winterlicht
later

Dick van Welzen, oktober 2021

voorin de harmonicabus stappen
om een staanplaats te verkrijgen
op het draaipunt van de trekzak
instrument van de weemoed
een drom wandelaars wordt uitgelaten
in het Achterhoekse landschap
soms dicht aaneengeregen
soms uit elkaar getrokken
rondom flarden van gesprekken
nauwelijks hoorbaar een midwinterblazer
in de idyllische buurtschap ’t Klooster
waar varkens en masse vet gemest worden
hier houdt men ook lama’s gevangen
achter een afrastering met ‘ad hoc’-hek
de Dalaï zou hier koude rillingen krijgen
zich zijn gewaad uit hun warme wol wensen
bevrijding van zijn geknechte volk
moet beginnen in de buurtschap ’t Klooster
voorbij het Boekenstadje Bredevoort
richting ‘Beunhaasghetto’ Vragender
waar aan de Poëzie en Prozaroute
bij het maïsland aan de Kapelweg
‘iederene’ welkom is bij het ‘Carbid Treffen 2008’
ook huiverende kloosterlingen
een stoet wandelaars trekt verder
aan het einde van de middag
in het midden van de winter
naar het einde van het jaar
via het Scholtenpad
over de Steproute
langs De Kuitenbijterroute
naar Klavertje Vier
zuchtende tonen klinken
als de menselijke trekzak
tenslotte tot stilstand komt aan tafel
om daarna harmonisch uiteen te gaan.

Louis Radstaak

‘t Wekelijks ritueel keert terug:
Het rondje pontje of soms brug.
De keuze – aldus uw verteller –
Hangt soms af van stappenteller
Tenzij – en dat is ongewis –
Het ding niet opgeladen is.
Dan, lopend met vertraagde pas
Eindigt op het zon-terras,
De goedbedoelde wandeltocht,
Met glazen bier of ander vocht.
Ach wandelaar, u kent dat wel:
Aan de IJssel, dat hotel
waar jij je plichten wil vergeten:
je anders zo sportief geweten
sussend met een vochtig mondje:
vandaag dan maar het varend pontje,
want waarom ander toch bewaard,
die pontjes-twintig-rittenkaart?
We moeten immers toch weer terug…
. . . .

Zondag weer een rondje brug!

Niels Klinkenberg

Er komt stilte in mijn hoofd,
en verschoten zwart
wanneer ik aan haar denk.
Als schim gaat zij door het dorp,
en roerloos zit ze in de bus.
Niemand die zij herkent, of groet.
Haar stem wordt niet gehoord.
Ze is al weg, omdat ze
levenslang, voor de familie
boete doet…

Anna Wiersma, augustus 2018

Er slapen meesterwerken
in het klavier.
Van Jazz tot Bach,
van Swing toto psalm
van ooit tot hier.
En in die stilte dragen ze geheimen.
Ook het papier waarop de noten
zichtbaar zijn, geeft nog niets prijs.
Onhoorbaar ruist een werk
met in mineur een wijs,
die in het oor blijft hangen.
Van jongs af aan, ken ik dat lied.
In een paar maten bruist het leven.
De tonen sterven ragfijn weg
als ik ze wil omarmen.
Een laatste hoge triller nog…
Zo klinkt verdriet.

Anna Wiersma

In deze herfst, kleurrijk en mooi
Vervallen mannen in sombere gedachten
over een ander schoon, dat sluimert
tussen de geslachten, in welk jaargetij
dan ook en treurig maken kan, of blij…

In deze herfst vallen de vrouwen
als bladeren van de bomen.
Want in geniep, reist nu een smerig
virus rond met griep, en laat niets heel
van welke opwindende gedachte
dan ook, alleen het spook
dat zich vermomt en opduikt
tussen witte wieven, gedijt.

In deze herfst, zijn ze gescheiden
de mannen en de vrouwen
gekweld door blues of griep.
Ach, leven zeker in september
is lijden, of maakt ziek.

Anna Wiersma

Je hebt iets grijs en glinsterends
iets jongs, toch ben je ouder dan je lijkt
Je kronkelt en je schittert van plezier
Zo slank ben je en dan weer uitgedijd
terwijl je moeiteloos langs uiterwaarden
glijdt en hier en daar een knipoog geeft
De bus rijdt door, je trekt je terug
ik zie het nest nog van de ooievaars
Dan ben je weg, ik kijk nog een keer om
en ben getroost, want ik weer kom
ben jij er altijd nog

Anna Wiersma

De regen komt.
Daar op het dak
fluit Merula
zijn parelende
hoogste lied.
Zijn toonsoort
en de melodie
maakt duidelijk
dat geen evenknie
hier wordt geduld.
De heldere ritmiek
in deze aria
sluit zijn gebied
hermetisch af
Wie hem trotseert
op het oorlogspad
Wacht dit
krijgshaftig lied

Anna Wiersma

En dan
als hij de luchten ziet
Kan hij ze vangen?
Hun vaart, de vochtigheid
hun kleur
In het verschiet
reeds de verandering van weer
Juist dit ongrijpbaar element!
Zijn blauw wordt grijs
het grijs wordt witter
Een magistrale haal nog
Morgen komt hij weer

Anna Wiersma

Staalblauw het water
in de plassen
Groen,grijs het landschap
en vaag wit
in silhouet, de stad
Geen ziet de vogel
die stem geeft
aan de stilte
met ijl en zuiver lied

Anna Wiersma

We zitten samen op een hekje
ik in mijn regenkleding,
zij in een witte kanten jurk
met opstaand kraagje.
Dan zeg ik: “Freule, ik heb
een vraagje.
Vindt u het goed, dat wij
dit jaar ook weer …”
Ze laat een licht bewegen
van de wimpers zien.
Dan zweeft ze weg.
Ik denk dat ze zojuist
haar fiat heeft gegeven

Anna Wiersma

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!