Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Helaas hebben wij, eind september, moeten besluiten om onze fysieke bijeenkomsten in De Fermerie af te blazen en te vervangen door een gezamenlijk bezoek aan Café Online.

In deze zorgelijke tijden een welkom alternatief!

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café (op weg naar ons tienjarig jubileum), elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst werden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Tot betere tijden en…keep going!

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

 (Op de wijs van het
  staldeurtje kraakte.)

Het sneeuwklokje bloeide,
de kat mauwde zacht.
Toen hij het besproeide,
was zijn taak volbracht.

En knaap met een roosje
vond dat niet zo fine.
Hij zei na een poosje:
“Bitte, nicht  mein Röslein”.

De kat sprak genadig:
“Wat dacht u meneer?
dat lijkt me misdadig,
want doornen doen zeer”.

Tinus Derks

(vrij naar Guilliaume van der Graft)

Mooier valt het niet
te zeggen.
De dood, de dode
“onbereikbaar nabij”.
Troost, blind geloof …
Nee, stilte slechts als
antwoord op zijn vraag.
Geen twijfel laat het hem
dit keer.
Hij reikt naar God
als om verantwoording.
Katinka’s stem zoekt hij.
Een diepe zekerheid
schuilt nu, in de afwezigheid
van een respons.

Anna Wiersma
13-1-2021

Geen echt zonder onecht
Geen recht zonder onrecht
Geen weg zonder omweg
Geen heg zonder steg
Geen macht zonder onmacht
Geen zacht zonder onzacht
Geen wacht zonder acht
Geen dag zonder lach
Geen munt zonder kop
Geen strop zonder Job
Geen fles zonder dop
Geen kip zonder kop
Geen dat zonder dit
Geen winter zonder wit
Geen paard zonder bit
Geen pop zonder hit
Geen onmin zonder min
Geen gang zonder in
Geen onzin zonder zin
Geen Wilhelmus zonder Wim
Geen harmonie zonder akkoord
Geen koorddanser zonder koord
Geen dichter zonder woord
Geen en zonder zovoort
Geen kompasnaald zonder noord
Geen huis zonder haard
Geen piraat zonder baard
Geen kop zonder staart
Geen broek zonder hoest

Wim van den Hoonaard, Deventer, 16 januari 2021

Het staldeurtje kraakte
En wie lag op de tocht
Vader Jozef die waakte
Omdat hij vader zijn mocht

Wanhopig zocht hij timmerspullen
Maar zag ze over het hoofd
Maria had ze kunnen verhullen
Want stilte had hij haar beloofd

Hij werd snel verkouden
Maar dat deerde hem niet
Hij was zo gaan houden
Van zijn zoon en zijn griet

Het deurtje bleef open
Het kon niet meer dicht
Dat maakte het in- en uitlopen
Van minder gewicht

Dus de ezel en de os
En de herders uit de velden
Waren in ieder geval verlost
Van een dichte deur die kwelde

Wim van den Hoonaard, 16 jan. 2020

Geen berg zonder kam
Geen kraak zonder ram
Geen boe zonder klam
Geen houder zonder stam
Geen rails zonder tram
Geen schap zonder gram
Geen been zonder ham
Geen Rotte(r) zonder dam
Geen Jazz zonder jam
Geen oor zonder lam
Geen steek zonder vlam
Geen Dichters zonder Café

Louise Broekhuysen

De kamer is zo stil, zo stil,
dat ik er bijna slapen wil.
De sparretakken aan de wand,
die geuren uit een sprookjesland.
De lamp hangt helemaal in ’t groen
met mooie rode tierelantijnen
en op de tafel het fluweel
van trossen blauwige rozijnen.
En bij de deurpost hangt een boog
van maretakken, nauwelijks droog
en vochtig van de regen.
De denneappels bij de haard
in puperen omhulsel,
ze liggen op een brede kaart
met glinsterend vergulsel;
de noten en amandelen,
het appelrood ertegen…
De kamer is zo stil, zo stil
dat ik er bijna slapen wil,
al heb ik het verzwegen.

(Helma Wolf-Catz, uit “Kris Kras Jan Plezier” 1956)

Kerstdag

Het stadje is zo stil, zo stil
dat je het liefste vluchten wil.
Geen sparrengroen hangt aan de kant
van de failliete winkelstand.
De lichtreclame moet het doen
met spaarlampen die blauwig schijnen
op schaars bezoek, soms één teveel,
dan sluit men haastig de gordijnen.
Geen klanten hangen aan de toog,
het is lock-down, ‘t café staat droog;
schenkt koffie in de regen.
Het gloeiend vuurtje in de haard
kan ons niet meer omhullen
en ook al kreeg je kaart na kaart,
hing je je boom vol prullen:
een zangverbod voor engelen
houdt Kerstgevoelens tegen.
Het stadje is zo stil, zo stil
dat ik het liefste vluchten wil
of nooit meer wil bewegen.

Louise Broekhuysen

(Petrus Datheen, of Pieter Daets, 1531 – 1588,
predikend ijveraar voor de Hervorming uit Frans-Vlaanderen, wiens berijmingen altijd nog in kleine Zeeuwse gezindten worden gezongen.

De Nood-Oost-Poolse stad Frombork was woon -, werk, sterf – en begraafplek (1543) van Mikolaj Kopernik, oftewel Copernicus: hij ontwikkelde het wereldbeeld waarin de aarde om de zon draait, strijdig met de kerkleer uit die tijd.

Willem Barnard, 1920 -2010, godgeleerde, predikant in verscheidene Hervormde genootschappen, psalmberijmer, en onder zijn schuilnaam Guillaume van der Graft een vrijzinnig dichter. Met vijf anderen werkte hij jarenlang in Gelderland onder de groepsnaam ‘’Het Landvolk” aan het “Liedboek voor de kerken’’.)

Lang stonden zij in hun koesterkelder,
verbannen: al te hunkerend waren
deze karakterkoppen, het Pressburg
in de Maria – Theresia-tijd
niet besteed aan hun hoofdkwartier. Vol

verlangen wachtten de negen-en-zestig
van beeldhouwer Franz Xaver Messerschmidt
op hun bevrijding…in Bratislava,

nieuw land nieuwe kansen, woeien deuren
voor hen open, stak de Slowaakse
Nationale Galerij hen bij elkaar
op een ereplaats voor deze fanfare
van honger en dorst naar aanraking –

vel en bol en lijf, zij schreeuwen zich uit!

(aan deze Beiers-Habsburgse uitbeelder
van het gevoel, 1736 – 1783)

P.B. Kempe, december 2020

‘’ (…) GODS BARMHARTIGHEID REIKT VERDER DAN ZIJN WET.’’

(M. Nijhoff, Het Veer)

I – De Zekere
Wilhelmus: ook met zijn Duitschen bloed
botste zijn ark der weinigen. Recht door zee,
de rode des Tachtigjarigen Krijgs,
koersten mijn psalmen, tegen de wanden weergalmend
van wijkend water. Het beloofde land
week mee, almaar oostwaarts: Hondschoote, Gent,
Emden, Elblag – waar ik begraven lig, nabij
die godverlaten zonaanbidder van Frombork!
Maar Petrus Datheen, ter hagenpreek beroepen,
zal heerlijk, van Zonnemaire tot Dreischor,
In stroeve Zeeuwse verzenzang herrijzen….

II – De Weifelende
Guillaume, Willem voor zijn vrienden: met velen zijn zij,
wanneer ik mijn woordketting vier en span, mij de ark
op de zalige Rijn en IJssel bij Oosterbeek
psalmzingen doet van Onzalige Bossen, of
droomopwaarts van Ellecom, Rozendaal….
Dit oude land
van altijd groene graften, deze bouwerij
in rekkelijke vrede: is er op aarde
meer benodigd voor het dichten om de zon?

P.B. Kempe, december 2020

Geen witje zonder sneeuw
Geen gouden zonder eeuw
Geen koning zonder leeuw
Geen lijger zonder teeuw
Geen zee zonder meeuw
Geen Bløf zonder Zeeuw
Geen Munch zonder schreeuw
Geen honger zonder geeuw
Geen teelt zonder weeuw
Geen schip zonder breeuw
Geen zwerm zonder spreeuw
Geen Kerst zonder kalkoen

Ger van Diepen, december 2020

ik ben iemand
zei ik tegen niemand
die zich verschool
in een donker hoekje

was daar iemand
vroeg niemand

Wim van den Hoonaard,
Deventer, ca. 1980 + 16 december 2020

Tijdens de lockdown
spiegelen de dagen de dagen,
wordt het toeval tarten
ten zeerste afgeraden,
wordt verbeiden verheven
tot lome levenskunst,
blijft plezier van hogerhand
bij voorkeur binnengaats,
worden wakken geslagen
in wakkere waardigheid.

Om het tij te keren
wordt een mengsel gebrouwen
van plaag- en pleasegedrag
en worden bij de huiselijke
haard huid en haar gekoesterd.

Tinus Derks

Twee bomen. Zelfde soort.
De een kniediep in rottend
blad, november, taak volbracht,
de egel aan zijn voet al half
in winterslaap – de andere
trotseert de regen, trekt zich niets
aan van schrale wind; koestert
zijn septembergroen
totdat de nachtvorst hem
tot overgave dwingt.

Zij zijn mijn herfst: het ik
dat meebeweegt, zich neerlegt
bij verval en daarin zelfs
een egel iets kan bieden
en dat wat bollen plant,
een gedicht begint, een boek
koopt dat als “veelbelovend”
wordt bestempeld
en zich niets wijs laat maken
over sterfelijkheid.

Louise Broekhuysen

Hartje zomer in Florence
‘Moet je voelen hoe warm dat marmer is,’
    zei ik
en ik legde jouw hand op een been van David.
‘Je weet dat een naakte man mij koud laat,’
    zei jij.
Ik was teleurgesteld.

Jan van Laar

Als kind moesten we onze knuffel loslaten,
het was ons houvast in ’t geheim,
en om anderen om één liefde te haten
daarvoor willen we toch op de wereld niet zijn?

We willen er uit, niet slechts voor beschuit,
gedreven door ‘honger naar huid’,
een huisdier blijkt vaak niet genoeg
en ook niet de drank in de kroeg

Misschien heb ik het verkeerd begrepen
maar ik zeg je alvast ietwat benepen
als er ook een leven is na de dood
dan geef ik mij ook daar weer bloot

Maar vooralsnog lijkt het me ‘pet’
om naar bed te gaan met een skelet
en wat dacht je van een knuffelmuur,
bij gebrek aan beter, is die ook te huur?

Wim van den Hoonaard,

Deventer, zondag 13 december 2020.

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!