Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Na het lessen van mijn dagelijkse dorst
liep ik geregeld
van top tot teen
in het honderd,
op veel te grote voet
mezelf vaak spaak,
in zeven diepe sloten tegelijk,
of naast mijn scheve schoenen
met de kop tegen de muur.
Om al die risico’s voortaan
met succes
en zonder drooglegging
te kunnen ontlopen,
doe ik tegenwoordig
Alles op de fiets

Constant van Slag, juni 2022

je heette mr van
je was mijn eerste
ik zoende je in de bezetting
op de tiende verdieping
we deden t pas thuis
toch niet in de blauwe slaapzak
mijn enige bezit
toen ik begon met een groen geverfd sinaasappel kistje
en een affiche van dali
op de harde grond van de tiende verdieping
de strijd was de bodem
niet zoveel collegegeld
we waren voorbereid
om het nieuws te woord te staan
in navolging
van de gu
gingen wij ook plat
staken
de liefde wandelde er door heen

Jet Rotmans, mei 2022

Ik sta soms samen met je op
of ga met je naar bed.
Vraag mij dan af hoe het
in het echt geweest zou zijn.

In de auto voel ik je naast mij
praat tegen je: zit je lekker?
Mijn hand streelt
een denkbeeldige knie.

Het was in ’58, september naar ik meen.
Hoewel: het zou ook augustus kunnen zijn.
Onze eerste onhandige zoen
bij het afscheid voor jouw deur.

Maar kwetsbaar is een droom
voor de harde hand
van ’s levens wendingen
en de onvermijdelijke keuzes.

Ik hou nog steeds van je
waren jouw laatste woorden,
waarop ik, in mijn laffe vlucht,
jou het antwoord schuldig bleef.

Cees Leliveld, mei 2022

Mijn eerste liefde heeft mij verlaten.
De noorderzon scheen nog, toen zij stilletjes ging.
Ik bleef zitten lezen in de schemering
en had het pas laat in de gaten.

Ik keek op en verloor alle woorden.
De draad van het verhaal raakte kwijt.
Alleen in het donker kreeg ik spijt
en riep haar naam. Ze leek me niet te horen.

Is zij gegaan, of ben ik weggedreven
met mijn hoofd in de wolken, altijd op zoek?
Wellicht zit zij nu verdiept in een boek
op de bladzij waar ik was gebleven.

Ger van Diepen, mei 2022

Aanmaak van jaarringen
is geen garantie voor ooghoogte:
jij voor mij een maat te groot,
ik blijvend schoolkind. Zeventien.

Nu sta je aan de overkant
van de koffiekamer. Je buigt je
naar een jonge vrouw (gevleid?
verrast?) en als bij bomen
glijdt het zomerlover van je af,
lijk ik mijn hand te leggen
op de bast van oude zijde,
geplooid rondom het broze hout
waarbinnen zich het stromende,
de kern, wist te bewaren.
Geroezemoes valt stil, muren
wijken of iemand ze zoëven
moeiteloos heeft omgegooid –

Is het oog betrouwbaar?
Misschien moet ik het houden
op verbeelding. Al valt het mij
steeds lichter te geloven
dat ik, aan de overkant
van die koffiekamer,
jou heb gezien.

Louise Broekhuysen, mei 2022

Aan het einde van de tunnel licht
naarmate de tijd het zwaarder wegen
sinds een ontmoeting op hoop van zegen
Aan een toevalstreffer toegedicht

Aantrekkingskracht kan niet zonder zwaartekracht
net zomin als vreugde zich soms vermengt met pijn
kan de laatste de eerste zijn
niet zelden onverwacht

Wim van den Hoonaard, 29 mei 2022

Ach, wat was ik piep
onder moeders vleugels
Ik wou de wijde wereld in
maar niet alleen
en wist niet hoe
Lang hoefde het niet te duren
op mijn geboortedag verscheen jij

Sprakeloos staarde ik
naar je glanzende vurige blik
De mond vol tanden
wangen die bloosden
en ogen op steeltjes
Vlinders bleven cirkelen
Ons eerste samenzijn

Met mijn hoofd in de wolken
en knikkende knieën zag ik alleen jou
Ik wilde weer samen met je gaan
mijn wereld groter maken
Je gerief omarmde me
Soepel was je gang
Een gazelle met vleugels
we vlogen mijlenver

De afstand werd groter
De glans verliet je rode blik
Een spaak stak in het wiel
En ik, ik kon niet meer vliegen
Je paste me niet meer
De tijd liet haar sporen na
Het piepen ging over in kraken
Je remmen raakten los
En ik, ik ruilde je in

voor een grotere Gazelle
rood en jong
Mijn nieuwe liefde

José Hattink-Blom, mei 2022

Zij waren beiden zeventien en zaten in dezelfde klas.
Tijdens een saaie les schreef zij hem een briefje met
‘ik hou van jou,’ waarna hij zonder aarzelen terugschreef:

‘ik ook van jou.’ Zij waren een stel tot en met het
eindexamen. Daarna trouwden ze, ieder met een ander.
De tijd versleet die beide huwelijken, maar gaf het toeval

alle ruimte. Zij vond het liefdesbriefje dat ze ooit verstopt
had, hij droomde van de oude klas, toen geluk nog heel
gewoon was. Het toeval deed geen half werk, het vulde

twee agenda’s in: híj moest naar de Tweede Kamer, zíj
ging naar het Mauritshuis. Op het Centraal Station
herkenden zij elkaar.

Jan van Laar, mei 2022

“l’amor che move il sole e l’altre stelle.”

(Dante Alighieri, la Divina Commedia, Paradiso, canto 33, laatste versregel)

Vroeger, toen ik nog vleugels had
en die kosmische kracht ontdekte:
de liefde die de zon beweegt en
de andere sterren…
Ik wilde wel mee-bewegen
en ik kon vliegen!
Bij liefde hoorde een geliefde:
waar kon ik de mijne vinden?
Ik zweefde boven stad en land,
boven parken en woestijnen,
de zee, het strand, de duinen
en zag verder weg dan ooit.
Ik zong een liefdeslied
Auf Flügeln des Gesanges
tot in de zevende hemel
(of was dat daarna?)
en daar kwam ze:
mijn eerste meisje van de zangvereniging.
Hoe ze heette, dat ben ik vergeten.
Ook zij had vleugels,
we konden samen vliegen
en dat deden we dan ook.
Hoogvliegers waren we,
de wereld leek ver weg.
Totdat we op een zomeravond
afdaalden naar een bankje
in het Vroesenpark.
Om onze veren te poetsen,
zeiden wij.
Hoe mooi dat ook was,
onze vleugels bleken te zwak
om weer op te stijgen.
Daar hebben we ons toen
bij neergelegd,
eerst letterlijk, later in algemene zin:
terug op aarde.
De wereld draaide door
Panta rhei en niets is blijvend,
gelukkig maar en toch…
Ik poets mijn brillenglazen en
houd de blik gericht op zon en sterren.

Leen de Oude, mei 2022

Ik heb je gevonden
toen ik je niet zocht.
Je kwam langszij
we koersten op
dezelfde wind.
Tussen de klippen van
Scylla en Charybdis
zeilden wij.
Adembenemend was de tocht.
Dat wij aan het begin
van onze reis
zo dicht al bij de haven waren
wisten wij niet.
Ik heb je gevonden
niet gezocht.
En moest je laten varen.

Anna Wiersma

Een jongen nog maar
met blote benen,
zelfs in deze wintertijd,
ik denk twaalf jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit uren op z’n bagagedrager
van een door de fietsenmaker
zwartgemoffeld rijwiel,
vanwege de kosten
in opdracht van zijn vader
uit vele delen samengeklonken
en bovendien nog op de groei voorzien
van schaamblokken op de trappers.

Verscholen achter het bosschage
aan de De Sitterlaan vangt hij soms
een glimp van haar achter het raam,
soms ook komt zij, blond en spichtig,
ik denk twaalf jaar, naar buiten
dan springt hij op z’n fiets, rijdt
voor de vorm een extra rondje
voor de lang voorbereide
o zo toevallige ontmoeting.

Nu een oude man, kwetsbaar,
met stramme benen,
ik denk vijfenzeventig jaar
met een uilig brilletje
op een kansloze missie.

Hij zit in z’n zwartgemoffelde voiture,
poetst de roestige herinnering op,
uit vele beelden samengeklonken,
staart uren naar het bovenhuis
even gelooft hij haar weer te zien
een schim daarachter het zolderraam.

Hij mompelt haar naam,
zocht die vergeefs in alle krochten
van het wereldwijde web
dan start hij de auto
en rijdt voor de zekerheid, speurend
naar een spichtig en grijzend blondje,
toch nog maar een extra rondje.

Dick van Welzen, mei 2022

weloverwogen
een beeld schetsen
van de eerste liefde op papier
reeds lang ingesnoerd door de mores
van de tijd is de status quo doorbreken
met een ode aan die overrompelde verliefdheid
en daarvan een glimp behouden in een portret als souvenir

erika visser, 2022

Aus den Gärten komm’ ich zu euch, ihr Söhne des Berges!
Aus den Gärten, da lebt die Natur geduldig und häuslich,
Pflegend und wieder gepflegt mit dem fleissigen
                    Menschen zusammen.
Aber ihr, ihr Herrlichen! steht wie ein Volk
                    von Titanen
In der zahmeren Welt und gehört nur euch und dem Himmel,
Der euch nährt’ und erzog und der Erde, die euch geboren,
Keiner von euch ist noch in die Schule der Menschen
                    gegangen,
Und ihr drängt euch fröhlich und frei, aus der
                    kräftigen Wurzel,
Unter einander herauf und ergreift, wie der Adler
                    die Beute,
Mit gewaltigem Arme den Raum, und gegen die Wolken
Ist euch heiter und gross die sonnige Krone gerichtet.
Eine Welt is jeder von euch, wie die Sterne des Himmels
Lebt ihr, jeder ein Gott, in freiem Bunde zusammen,
Konnt’ ich die Knechtschaft nur erdulden, ich neidete
                    nimmer
Diesen Wald und schmiegte mich gern ans gesellige Leben,
Fesselte nur nicht mehr ans gesellige Leben
                    das Herz mich
Das von Liebe nicht lässt, wie gern würd’ ich
                    unter euch wohnen!

Friedrich Hölderlin

De eiken

Uit de tuinen kom ik tot u, gij zonen van bergen!
Uit de tuinen waar leeft de natuur geduldig en huis’lijk,
Koest’rend en zelve gekoesterd met nijvere mensen
                    te zamen.
Maar gij, gij Heerlijken!, staat als een volk van titanen
In de getemde wereld, behoort aan u zelf en de hemel,
Die u voedde en grootbracht, en d’aarde waaruit u geboren.
Geen van u begaf zich ooit in de school van de mensen,
Gij verdringt u vrolijk en vrij, uit de krachtige wortel,
Rijst omhoog en grijpt, als een adelaar doet met zijn prooi,
Met uw machtige armen de ruimte; en naar de wolken
Zijn, groot en opgewekt, al uw zonnige kronen gericht.
Ieder van u is een wereld, u leeft als de hemelse
Sterren, ieder een god, als vrije verbondenen samen.
Kon ik het knechtschap verdragen, ik zou dit woud
Nimmer benijden, graag lag ik aan het genoeglijke leven,
Bond aan ’t genoeglijke leven toch niet mijn hart zich,
Dat van de liefde niet laat, hoe graag zou ik
                    onder u wonen!

Vertaling:

P.B. Kempe

Liefhebben
en in de verte oorlog
Lente, licht en leven
haat en dood
hoe die gespletenheid te helen?

De Avondshow met Lubach
geeft lucht en het ontroert me:
mensen van rond de veertig
begaan met de ellende
belichten die met humor.

Ruzie met mijn geliefde
hij vond dat het niet kon.
De muziek bij Podium Witteman,
alhoewel geen oplossing …..
dat was ik met hem eens.

Lies Prins

De zevende trap bestegen
vond ik de hemel leeg
Petrus bij een kopje thee
leefde met me mee:
pas volgende week
was er weer dichterscafé

Lies Prins

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!