Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Mijn oren vertellen me de verhalen
Van vroeger en van overmorgen
Mijn ogen zien de stralen van de zon
nadat de nacht reeds aangebroken is
mijn mond is bijna afgesloten
vertolkt niet meer dan nodig is.
mijn hart vertikt de tijd.
om lief te hebben tegen beter weten in
blijf ik geloven in die dagen
van fel rode lippen en een goed glas wijn.

Dick Smeijers

Een dag als deze, diep vijandig,
en van zijn laatste licht beroofd,
maakt mij onnoemelijk opstandig —
alsof ik ooit in beter had geloofd.

Een dag als deze, grijs als stof,
met waken, slapen om het even,
en ademen een doen alsof —
met deze dood valt niet te leven.

Een dag als deze, niet geleefd
en niet gedeeld, vol onvermogen —
een herfstblad dat te gronde zweeft,
en tranen die om niets verdrogen.

Een dag als deze, overbodig,
en zonder einde of begin,
ik heb noch hem noch hij mij nodig —
geen walging zelfs of tegenzin.

Een dag als deze: afscheid, afscheid,
en nagloed van een stervend vuur —
voordat mijn arme wereld splijt,
wat hoopt men nog dat ik verduur?

November en er valt wat regen
Dat is soms doodgewoon een feit
J.C. Bloem kon er niet tegen
Die zei: dan regent het altijd

En zijn hart bleef altijd leeg
Ondanks al dat hemelwater
Dat hem tot de lippen steeg
Maar dat merkte hij pas later

Het zal ons niet overkomen
Wij heel anders dan de dichter
Met beide benen op de grond
Zien de zaken heel wat lichter

Regen mag soms rijkelijk stromen
Bloem had veel te natte dromen

Ik min de natte maand november niet,
daar die zo grijs is en zo fel zijn kracht
uitplooit in ’t zwerk.

Komend met donker-koele oostenwind,
heeft hij de herfst gezonden en begoot
toen vrij het droeve hart.

Nu jaagt hij razend op het watervlak
en wenst steeds meer….

Tinus Derks

Regen, regen, regen, glinsterende wegen
zwart spiegelend en nat
vallende bladeren,
het is glad
een donkere lucht jaagt de zon  op de vlucht
dikke druppels biggelen langs ramen
als waren het  tranen
opspattend water
doorweekt als een verzopen kater

regen, regen, regen
het wassende water is tot mijn lippen gestegen
hard stromen door goten papierjes als boten
vensters zijn beslagen
mensen vervormen en vertragen als in een droom
tot gedaanten in spuitende stoom
want als de goden huilen
kan men nergens schuilen.

Twan van Dijk

Tik, tik, daar is ze weer
zachtjes tegen de ruit
en zomaar op een dag

krachtig voedt ze
als behangen met fruit
laat bloeien in anders dor gebied

Bam, kabam in het gure veld
gelijk kogels van ijs
fonkelen deze peilloze ogen

butsen vallen
in veler kwetsbare huid
zo plots en zelden kennen wij haar niet

Geruisloos dwarrelt
op de stenen trap
alle kleur weerkaatst en terug gegeven

een deken over ons
zonder enig geluid
toch klinkt zij door als smeulend lied

Het regent vaak in november
de negende maand of de elfde
de tegenwind maakt ons geremder
en ’t jaar eindigt meestal hetzelfde

mistletoe wacht in november
hartstochtelijk op regenzoenen
terwijl sommigen steeds ontstemder
en hardvochtig zichzelf depri noemen

herfstkleurige bomen en vlaggetjes in de stad
tijdens een wandeling was de limbo wat nat
en de straat begon te ontvolken

gezelligheid was ver te zoeken
maar ach, waarom zou ik vloeken
‘k loop toch met mijn hoofd in de wolken.

Wim van den Hoonaard

En daar gaan we
de spoorbrug huilt
de trein die suist
de wind die blaast
de boom die buigt
het blad dat waait
de golven wit
het water wild
m’n sokken nat
mijn handen koud
het tempo straf
de wind die striemt
mijn bril beslaat
mijn hart dat bonst
de tak die kraakt
m’n jack kletsnat
het slechte zicht
mijn tijd beroerd
de spieren stram
de route lang
het hoekje om
de luwte in
het modderpad
het valse plat
de hongerklap
het zoute zweet
het zweet dat bijt
de wil die kraakt
de regenplas
de enkel zwikt
het rechte eind
het licht valt weg
je hapt naar lucht
een vaag besef
je vindt dit leuk
de regen in
novemberkou
de finish lonkt
je concentreert
je pas wordt lang.
je grijns komt terug
je bent er weer.

Michiel van Hunenstijn

Blote paling met naaktslakkensaus. Dat kreeg ik die avond in het café te eten als hors d’oeuvre. Een gang die speciaal werd aanbevolen met: om erin te komen. Ondertussen verrichtte een schamel gekleed meisje onduidelijke werkzaamheden in verticale richting via een centraal geplaatste paal.

Even later kwam een pas geverfde dame tegenover mij aan tafel zitten om mij op het hoofdgerecht voor te bereiden. Ze sprak over verleidelijke horizonten binnen het eigen gezichtsveld, over consumeren en assembleren, pulsen en impulsen, over ongekend genot: besmuikt, beschimmeld of beschaafd. Tenslotte over de alles vernietigende veerkracht om soepele of hoekige, om gerekte, gedrukte, gedraaide, gewrongen bewegingen steeds weer uit te voeren en terug te nemen.

Toen pas begon ik goed te luisteren en mij te verbazen. Ik nam de entourage van de locatie beter in mij op. Er ging mij een licht op toen ik keek naar de lampjes met hun minimale voltage: hier serveren ze geen biefstuk van de haas!

Mijn bestek viel stil.

Jan van Laar

Zemba was een scheepsborstel,
maar was eigenlijk een god.
Zemba was een scheepsborstel
en hij werkte op een schip.

Zemba was niet meer de jongste,
was versleten en zijn haren kwijt,
had het dek geborsteld en geboend,
had geveegd, van ruim tot het vooronder,
de haren vlogen in het rond.
Had gewerkt, geveegd, geschrobd.
De jaren gingen heen en toen was Zemba op.

En werd toen overboord gegooid, in de plomp ermee
Zonder een ‘een twee drie in godsnaam’,
wat moet je immers met zo’n lor.
Maar Zemba borstelde en kwam boven, dobberde en
spoelde aan tussen de kribben van de Stobbewaard.

En werd op een zondagmiddag gevonden
en gered van die wrede verdrinkingsdood.
Dus werd Zemba afgeveegd en afgedroogd
en voorzichtig naar zijn huis gedragen.
Hij kreeg daar een gezicht en een ziel.
En kreeg een plek, hoog aan het huis,
geniet van aanzien en pensioen,
en waakt nu over tuin en huis.

Zemba was een versleten scheepsborstel,
maar wist, diep van binnen was hij een god.

Michiel van Hunenstijn

aan de oever van die mooie rivier
zie ik waterbeelden die
de takken van de bomen raken
glinsterende eenvoud zichtbaar
tegenbeelden fluisteren naar elkaar
en spreken elk hun eigen taal

een heldere jutuut van de groene specht weerklinkt
een duif vliegt over het water
het gras wuift me toe
blaadjes varen als kleine bootjes voorbij
sta even stil bij het water
en snuif de herfst naar binnen

Dick Smeijers

Eenzaam buigt bamboe
in barre wind
Hol van binnen
zonder breekbaar spint
Haar gekraste bast
afwerend bemind

Gepaard bestrijken veren
de helle atmosfeer
zacht krommend in vleugels
of dwarrelend neer
Zijn dunne haartjes
bleek in zonnig weer

Samen sterk doorstaan zij
een gekozen vorm
Sans zinnig gevoel
volgens enige norm
kruipt ieder voor zich
naar de zuigende storm

Maarten Douwe Bredero

(vrij naar De Dapperstraat van J.C. Bloem)
         
Cultuur is voor veerkrachtigen of legen,
En dan: wat is cultuur nog in dit land?
Een stukje tekst, een column  in de krant,
Een muurtje met wat kunstwerkjes ertegen.

Geef mij de ruwe, bomenrijke wegen,
De beladen rietomzoomde waterkant,
De wolken, nooit zo schoon dan als ze, pikant
Als zwellichamen, langs de lucht bewegen.

Alles is veel voor wie niet veel verwacht.
Het leven houdt zijn wonderen verborgen
Tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.

Dit heb ik bij mijzelve overdacht,
Gezegend, op een zonbegoten morgen,
Domweg gelukkig, in de Oostermaat.

Tinus Derks

Dat ooit twee handen

veer voor veer

en deze veren tezamen
ineens

de lichamen van adelaars
weer laten zweven boven landen

in hogere sferen
tot mystiek verheven

verweven werden
tot War bonnet

de ‘pet’
die een medicijnman tooit

Erica Rekers

Zonnetje schijnt
laag aan de horizon
een rode gloed
valt over het woud.
De bomen wuiven
met een kleurenpalet
op hun eens groene blad.

Warme vochtigheid
dringt langzaam door
tussen gestorven hout
mos en herfstblad.
Witte schimmeldraden
verspreiden zich snel
in hun eigen web.

Ze voelen zich thuis
in deze oude boom
leunend tegen het hout
Waar de vrucht ontpopt
als een prachtig herfsttafereel.

Marleen van Joolen

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!