Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Keurig, keú-rig, gekleed ging moeder, alle dagen
Ruime blouses, dichtgeknoopt tot aan haar strot
Lange rokken, als kuisheidsgordels met een rits op slot
En nylons met een naad in niet te hoge pumpen dragen
De tijden van weleer, een preutse mode, een pover lot

Maar dan verkondigen de zwaluwen en wielewaal de lente
Kom mee naar boven allemaal, weg met trein en poppen
Hutkoffers open, mottenballengeur uit kleding soppen
En dan de zomerjurken aan, díe beloven mooie momenten
Zalig dat zuivere katoen met bloemmotieven, strepen en noppen

Mijn moeder op de fiets en dan tovert plots een zomerbries
Haar dijen bloot en moeder … om … in … een wufte vrouw
Maar pijlsnel zag je dan helaas, dat zij dat zelve echt niet wou
Een strenge hand ontnam je fluks het zicht, als was het vies
Ontnam je ook je hoop op … wat jij als vrouw liefst wél wou en zou

Maar dan verschijnt het boegbeeld aller vrouwen op de buis
Marilyn verklaart haar liefde zingend boven blazend rooster
aan haar Mister President, de camera almaar closer en closer
Een lust voor menig mannenoog, die benen bloot tot aan het kruis
Posters boven bedden, hopsa help je zelf, de wereld werd steeds vozer

Mei ’62 wordt dit opgewaaide jurkje voor meer dan een miljoen verkocht
Maar biedt het leven qua vervoering voor de vrouw een heus equivalent
Waar moet je heen om zo iets prachtigs te beleven aan een echte vent
Zetten benen, billen, haren, stem of mooie handen vrouwen op de tocht
Alles werd mij duidelijk tijdens het laatste Deventer Op Stelten evenement.

Zonder enige verwachting, vervuld van zwaarmoedigheid min of meer,
loop ik de Bergkerk binnen, aangetrokken door getier van doedelzakken
Op hoge stelten stappen Schotten in het rond gekleed in hun geruite pakken
Stramme kuiten, harige benen, dikke buiken, de aanblik doet me zeer
Tot plots een woeste wind opsteekt, alsof God zelf raast door de takken

Geruite rokken fladderen omhoog, pal voor m’n ogen hele klokkenspelen
jongeheren verstijfd van schrik, op hoge poten, gebeier van kloten op de bok
Vrouwen gillen, joelen en het gejodel van de doedelzak stijgt naar de nok
Windvlaag spot en speelt met man en kruis en kust de gotische kantelen
Ik til mijn camera boven mijn hoofd en flits en flits, volledig op de gok.

Al levert het niets op, Marilyn Monroe is nu geklopt.

Neletta van Heuven

Duizend maal liever
een robe van satijn
waarin ‘t geheim versluierd ligt
albasten teint
een ronde lijn,
een vleugje roos-jasmijn                      

         dan

naakte  huid                          
lillend in ‘t vet                                      
parelend van  het zweet
gerimpeld door de tijd
verhuld in bloemkatoen.

Emile van Rouveroy van Nieuwaal & Inge Vos

Een kinderwagen rijdt de trappen af
te midden van matrozen en soldaten,
die in de naam der wet zijn losgelaten.
“Wie pleegt hier misdaad en wie krijgt hier straf?”,

Zo luidt de vraag van menig Amsterdaamer
die tegen hoge Nemo-treden opziet,
van lauwe buurtsuperrosé steeds lammer
terwijl de klamme zomeravond heenvliedt…

Een schip zó groen kan geen Potemkin zijn;
doch in het allerdiepst van hun gedachten,
wanneer Odessa Mokum lijkt bij nachte,
zijn velen plots een kleine Eisenstein.

Pieter Bas Kempe

Ik ken het vak dat ik studeerde,
Herinner mij ’t studentenlied.
Ik ken het vuur dat mij verteerde.
Ik ken zo menig groot geleerde.
Ik ken alleen mijzelfve niet.

Ik ken de puber aan zijn smoel,
Bepukkeld en “ik ben er niet”.
Ik ken zijn omslag van gevoel,
Zijn enthousiasme voor een doel.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Ik ken het keten van een klas.
Ik ken de meisjes, hun verdriet.
Ik ken hun vlinderlichte pas.
Ik ken hun sores en hun sas.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Ik ken de punker aan zijn taal,
Met hanenkam een hele piet.
Ik ken de kakker aan zijn sjaal
En geen van beiden stoort mijn maal.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Ik ken de rector en zijn macht,
Hij zo beheerst, ik kierewiet.
Ik ken zijn helpers alle acht.
Ik weet wat elk van mij verwacht.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Ik ken het werkplan van de school,
De lesuitval, het normenlied.
Ik ken decanen als idool.
Ik ken de schoolbel als symbool.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Ik ken het klappen van de zweep.
Ik ken het Bussemakerslied.
Ik ken van lesboer elke kneep.
Ik ken gekanker en gedweep.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Envooi

Prins Jos, ik ken het allemaal.
Ik ken van ’t leven het verschiet.
Ik ken pensioen als avondmaal.
Ik ken alleen mijzelve niet.

Tinus Derks

de muzikale tonen
verijlen in de nacht
een zangeres verschijnt
en zet in kleuren neer
een lied zo mooi
zo teer.
de voeten raken los
de lucht wordt mijn tapijt
omhelzing volgt
maar eeuwig duurt zo kort.

Dick Smeijers

In prachtig Engels voorgedragen door Dorothy Weirs

Romanian Oak

Approach me in a state of focus
your long limbs next to mine
To figure out a way of conception
deduced from a jagged line
An angular grid to take the measure
composed tapered when forces dim
Notice these planes along three axes
and slanting angles at edges trimmed
My stark surfaces of one material
yet a dualism so easily dosed
Be seated to work in concentration
and taste henceforth this active pose

Absorbed reflecting on massive wood
I feel this light across my thigh
All joints subtle and abstract in lining
hiding plates and screws from the eye
In thickness sufficient to carry any load
from slabs sawed in matching vein
This mode somewhat low and overturned
mechanisms to explore in future phase
A robust prototype thus am I
even as enclosing comfort adheres
My embracing legs will stay the same
as seat and back offer lounging spheres

Maarten Douwe Breder

Het gedicht heeft betrekking op de stoel die door Maarten Douwe is ontworpen en geproduceerd. Kijk voor meer informatie op www.gungholazy.com.

we speelden met dromen van vroeger
wat je had willen worden

als ik mijn ogen sluit zei ze
ben ik moeder van een weeshuis

of bestond dat beroep niet?

en mijn moeder ging met haar hand
door het haar van mijn vader

zoals ik zou willen doen
bij mijn dode geliefde
zijn zilvergrijze

Sieth Delhaas

Pijlsnel verwijdert landschap zich
en vogelen we voort in kalme vlucht
door grijs, wit en blauw –
grijs, wit en blauw.

Trefzeker – ja, ja, die bol is rond
en schiet geen doel voorbij.
Behalve tijd en plaats
verandert er niet veel.

In razend gezelschap
door de kosmos.
Zal deze spits wel goed richten?
Zeg maar een gedichtje op.

Achter gesloten ogen
voelen we een geleidelijke daling
door blauw, wit en grijs
en zetten onze zonnebrillen
maar eens op.

Ingrid Beckering Vinckers

‘Op de poëzie van Ida Gerhardt,
(1905-1997) valt nog wel wat af te dingen.’
Classicus, dichter en criticus
Piet Gerbrandy, wilde het toch maar
eens gezegd hebben.
Op verzoek van het Ida Gerhardt Genootschap
hield hij een lezing.
Gebrandy bleek zo weinig geporteerd
van het werk van de nog altijd zeer geliefde,
en veelgelezen dichteres,
dat hij door zijn gehoor bijna gelyncht werd.

‘Hoe vaker ik haar bundel “Het Veerhuis” las,
hoe agressiever ik werd’.  Aldus Piet Gerbrandy.
‘Het is zelfingenomen, platte poëzie
van iemand die vervuld is van haar talent,
en daar de hele tijd over praat, zonder dat
verder uit die bundel dat talent blijkt.’

‘Literatuur gaat over wat het betekent om
de menselijke existentie te verduren.
En daar zit het probleem:
Gerhardt ontloopt de existentiële problemen,
door het alleen te hebben
over het feit dat ze in staat is over
die existentiële dingen te praten,
wat ze vervolgens niet doet!’

Michiel van Hunenstijn

Variatie op Poesjkin’s “ik hield van u”

Een schoolmeisje verliefd op de leraar Frans.

Ik was gek op u, die gekte is misschien
Nog niet voor eens en altijd gans genezen
Maar van gezeur wou ik u graag ontzien
Ge zijt nu dood, van mijn hunker niets te vrezen.

Ik was gek op u, door timidité gekweld
Het enige dat ik nog altijd durf te hopen
Is, dat ik met zo’n zachtheid, zo’n gevoelsgeweld
Een nieuwe leraar Frans tegen het lijf mag lopen.

Melodie: Streets of Laredo

De spruiten zijn bruin en van dagen geleden,
ze liggen als algen geprakt op mijn bord.
De piepers zijn hard. Met geblakerde korsten
vertellen ze mij dat het kliekjesdag wordt.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

De soep is vol drijvende geel-grijze vellen
van vlees dat misschien bij een kip heeft gehoord.
Vermengd met wat slierten, ik denk van eergister,
lijkt dit gerecht meer op volkerenmoord.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik haat jou hartgrondig omdat wij dan eten
de restjes, de prakjes, soms weken bewaard (2x).

Maar toetjes – bezinksels van allerlei pakken,
van griespap, tot yoghurt en vaak dubbel-vla –
die slurpen wij gretig uit kleurige schalen.
Want, wie overleeft krijgt een borreltje na.

Zo is het met dichters en met hun poemen:
het betere wordt vaak op ’t leste gezegd.
Niet alles wat ‘kliek’ is, is daarom ook slechter.
Ook na-komers hebben een erfenisrecht.

O, duurzaamheidsdag met jouw lifjes en lafjes,
met alles wat overbleef en werd gespaard,
ik min jou hartgrondig omdat wij dan horen
de verzen, de woorden, tot nu toe bewaard (2x).

Alfred Bronswijk

Ik zie U elke nacht,
Gij zetelt aan de andere zijde,
slechts gescheiden door straat
en twee maal vensterglas.
’s Nachts wenkt U mij,
baken in de eeuwige duisternis
tussen de shampoo, de waaiers en de mie.

Uw troon is hoog achter de etalageruit,
boven de potjes met het vreemde etiket.
U glimt en glinstert in het duister.
Open ik  het gordijn omdat ik u dan zoek,
dan wenkt u, verheven boven het daagse van
de vijzel en de kommetjes en al het bamboespul
en de reclame voor goedkoop bellen naar Somaliland.

Kat van Kim Lan, van schemer tot
het zwartst van de nacht,
Uw wenken begeleidde me al die tijden.
Nu bent U verstild, uw arm verstard,
Bent u nu zelf uitgezwaaid?

Uw blik boort zich naar de overkant
ik voel hem star op mij gericht,
is het een verwijt, heb ik iets nagelaten,
had ik wellicht moeten oversteken?
Is het uw tijd die gekomen is,
of, ik schrik, misschien de mijne?

Michiel van Hunenstijn

Verdorven ooievaars leveren in deze schaarse tijd slechts derivaten af. Volgens bekende ervaringsdeskundigen en wetenschappelijkers moeten we ons voorlopig tevredenstellen met een onverbeterlijke, ongeneeslijke gezondheid naar lichaam en geest.

Ondertussen verdwalen we in priemgetallen en dolen we in cirkels rond. We verschuilen ons in metaforen en verstoppen ons achter schuttingen, zelfs als de zonnige ochtendglorie nog maar net in de lucht hangt. Dit vergeefse pogen gaat de hele dag door tot de verschemering ons in schimmigheid hult en ons voorbereidt op de verdonkeremaanse nacht die al ons falen toedekt.

Ons denken vindt hooguit ondergrondelijk plaats en steekt maar zelden boven het maaiveld uit. Het mist concentratie en belemmert de coördinatie van het in aanleg wondere leven van onze implantaten, ledematen en andere in- en uitsteeksels. Het staat ons bovendien in de weg om op sterfelijke wijze de eeuwige rust in te gaan.

Experts spreken van een mechanisch defect bij de ooievaar, veroorzaakt door een verraderlijk radertje in de hartstreek. Hierdoor lijdt de vogel aan schorre verschreeuwing die scheuren grift in de innerlijke klankbodem van kinderen.

Wie keert het ooiegevaar!

Jan van Laar

Vertaling van het gedicht: Manifiesto Inicial Del Humanista van Santiago Montobbi (Barcelona, 1966)

De zaak van de woorden die nergens toe dienen,
of om te leven slechts, is een kleine zaak.
Maar als je iedere dag zekerder weet
dat je kransen niet alleen afwijst
maar er ook steeds meer van gruwt,
als je van je al failliete intellect werkelijk geen prostituee
wilt maken die haar borsten of haar ziel verkoopt
aan ieder stiefkind van het geld, of als je eenvoudigweg
weinig nodig hebt en het alleen belangrijk vindt
het leven en zijn treurnis waardig te dragen
zou het beter zijn dat je vanaf nu
je onontkoombare straf van eenzaamheid en mislukking aanvaardt
en dat je als lichtend of blind stofje van de sterren
die kleine, belachelijke zaak omarmt,
dat je dit van ganser harte doet en dat in je lege kamer
de woorden van het vuur in as verkeren, elkaar bestormen
en achtervolgen, en in hun eenzame nacht
verkillen door het zeggen van jouw naam.

korte tekenfilm

“Tijd is koetsier
op een beladen wagen.
We stappen ’s morgens in
Vooruit, raast voort, zo snel het kan!
In de middag komt de angst,
we zien ravijnen,
’s avonds, half in slaap,stappen we uit
en zien de tijd verdwijnen.”

We misten Poesjkin….
verdroeg niet langer vernederingen
van ballingschap, intriges en censuur.
In de middag uitgestapt
na een duel.

“Ik heb mijzelf
een standbeeld opgericht,
niet met mensenhanden,
maar met de woorden van het volk,
dat altijd een open weg
erheen zal bevinden.”

Fier en zelfbewust
is hij weer ingestapt,
bevrijd van nijd,
en reist onafgebroken
met het leven door de tijd.

Nele Holsheimer

Bron: Puschkin, in ‘Russische Lyrik’ , 1987 / Der Wagen des Lebens, 1823 /   Exegi monumentum, 1836

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!