Café Online

Aan onze Dichters (m/v)

Wij hopen dat wij, als leden van ons Café, elkaar op deze locatie vaak mogen ontmoeten en elkaar kunnen verrassen, doen verwonderen en ontroeren door inzending van een kolkende stroom van gedichten.

Alle gedichten die normaliter voor een fysieke bijeenkomst worden ingezonden worden nu (behoudens tegenbericht) door het bestuur op Café Online geplaatst. Onze virtuele ontmoetingsplek.

Een hartelijke groet van Joseph – Cees – Tinus

Vandaag stond een persoon op ‘t spoor
En daardoor Rika kon ik langer naar je kijken
Vlak bij Eefde, voor de brug over het kanaal

Het sein is nu weer veilig, we rijden door
Dat dingen toch zo wezenlijk anders lijken
Zonder snelheid in het spel is wel banaal

Bazuinen vallen weg, een matig engelenkoor
Dooft uit, ik zal niet naar je wezen reiken
Bij zo lang samen, staat Piet Snot voor Paal

Anna Wiersma, februari 2024

De polder waar ik in moet werken
lijkt gevangen in een cirkelvormig
dijkenstelsel. De ruimte om te leven
is hier zo beperkt dat doden staand
begraven worden. De sloten zijn een

labyrint van troebel water, waar je
roeiend in verdwalen en stikkend
in verdrinken kan. Het water
stroomt hier traag en zijn beweging is
beperkt tot aarzelende golfjes, waar

ik dobberend op mee beweeg,
om snikkend en glimlachend aan
te komen in het buitendijks gebied
van Paaltjens alter ego die
zich presenteert als wurgengel.

Jan van Laar, februari 2024

Sloom sloop ik snikkend door de regen
grimlachend hopend op, snakkend naar zegen
als een slak
slijmerig voortgedreven
boven ondoorgrondelijke wegen
op een tak totdat-ie
brak

(t.g.v. de 130e sterfdag van Piet Paaltjes)

Wim van den Hoonaard, februari 2024

Zijn naam was François Haverschmidt,
als dichter zeer gezien;
Piet Paaltjens was zijn dichtersnaam,
een passend pseudoniem.

Die Haverschmidt was dominee,
Dat was hij elke dag.
Ter kerke ging hij ’s zondags steeds
en preekte met gezag.

Hij preekte hier, hij preekte daar;
hij kende geen limiet.
Dan heette hij steevast François;
als dichter was hij Piet.

Twee zielen huisden in zijn borst,
maar niemand vond dat raar;
François hoort bij gelovigheid
en Piet bij l’art pour l’art.

Maar van hun amourettekes
raak ik wat aangedaan:
Zij lieten bij een blauwtje steeds
te saam een bitt’re traan.

Ze waren dan ontroostbaar en
getwee melancholiek.
De wereld was François een hel,
Piet zorgde voor lyriek.

Ze dachten dan met bitterheid:
“De liefde is een flop!
Ons liefdesleed is grenzeloos,
ons past nu slechts de strop.”

Tinus Derks, februari 2024

Mijn leven verloopt niet altijd fijn;
een enk’le glimlach maar vaker toch een traan.
Mijn boodschappen haal ik ’t liefst bij Albert Heijn
maar ben ook wel eens een Jumbo ingegaan.

Als ik de gedichten van Piet Paaltjens lees
slaat een schok van herkenning door mij heen.
Al heet ik dan geen Piet maar Cees
In mijn gekwelde hart voel ik mij met hem één.

Ook mij heeft onzegbaar liefdesleed het hart verwond
en liet ik in stilte meen’ge machteloze traan.
Tot ik uiteindelijk toch de Ware vond
maar die is helaas al weer bij mij vandaan.

Soms deed ik een gokje in de Loterij;
Als je geluk hebt ben je in 1 x Boven Jan!
Maar ja, bij nader inzien liet ik het erbij;
want ik geloof niet dat zo iets bij mij kan!

Hoewel ik nog wel uren door zou kunnen gaan,
overweldigt mij plots een golf van melancholie;
doen hete tranen het brillenglas beslaan
en dooft in mij de lust tot poëzie.

Cees Leliveld, februari 2024

(ontleend aan Immortellen XLIX)

Wellicht te vroeg geboren
heel zijn leven een last
had hij niet beter in onze jaren
in havermelk’s Amsterdam gepast?

Verliefd op de meid
van de melkboer
en zowaar
elke morgen daar
een natte stoep.
De melkboer vol vragen
maar de meid ging niet mee
in dat nachtelijke nat
van de bleke dichter-dominee.

Melkwinkels en melkmeiden
allemaal gestremd in de tijd
dominees blijven sterven
dichters houden woord.

Honderddertig jaar dood,
onvervulbaar verlangen nekte
Friese Frans, hoe hij ook bekte,
maar Piet blijft onsterflijk groot.

Henk van Rossum, februari 2024

Slechts éénmaal heb ik u gezien, gij droeg van die zeekren sjaaltjens
en waart gezeten in Minerva, sociëteit in den sleutelstad Leiden,
u schudde uw engelachtige lokken, at een schaaltjen garnaaltjens
ik zag u door het vensterraam, een ‘Io vivat’ voor ons beiden?

Onderwijle speelde het stadhuiscarillon zaalge choraaltjens
onze kennismaking kon niet korter zijn, zouden we gaan rijden?
want u keek net op, schreef een van uw triestige verhaaltjens
ik wilde met u de diligence in, naar Kattik, trachtte u te verleiden.

Met mijn diepblauwe ogen en mijn borstjens, die brutaaltjens,
van de Breestraat naar het Badhuis, om samen de zee ver in te schrijden
over water lopen moge ook; vertel mij: waar staan daartoe de paaltjens?
als wij, onze lippen vastgedrukt, elkaar uit dit tranendal gaan bevrijden.

Onze eindloze paden kruisen zich onder knet’rende bliksemstraaltjens
onheil paart zoo met ongeluk, de grimlachende ondergang onzer tijden
dan openen zich onder klinkende cimbaaltjens de hemelse portaaltjens
echter, uwe oogopslag zegde mij, dat gij zich liever aan poëzie wilde wijden.

Uw Rika

Sociëteit Minerva in 1856

Dick van Welzen, februari 2024

Een ploegbaas met zijn ploeg aan ’t schaften
Stopt flink wat broodjes in zijn mond
Één maant tot stilte om te bidden
En kijkt triomfantelijk in het rond

Hij behoort tot de ‘artikeln’
En doet verslag van de dag des Heeren
Dat hij maar liefst 3 keer op zondag
Naar de kerk en terug mocht keren

De ploegbaas trekt een wenkbrauw op
En antwoordt vervolgens niets ontziend
Drie keer op enen zundag?
Dan zal je’t wel neudig hebben vriend!

Esther Smit, februari 2024

Als (toekomstig) aandenken aan de
Kastanjeboom op de Nieuwe markt.

In het holst van de stad,
waar De Viking ooit zat,
liep ik snachts in mijn eentje te dwalen.
Ik leed daar zo zeer!
Nee, ik had het niet meer,
ik liep daar echt vreeslijk te balen.

Was het liefdesverdriet
omdat jij mij verliet
daarginds aan het eind van de Graven?
Of was het slechts dat
ik mij had bezat.
In de Soos had ik mij zitten laven.

Ik was daar slechts kort,
maar die fles witte port
viel verkeerd en in plaats van verwarmen
blokkeerde de boel.
ach ik bedoel
ik kreeg ernstige last van mijn darmen.

Hoe ik huilend hier kwam
-zo zat en zo lam-
ik zou het waarlijk niet weten,
ik doolde wat rond
zeeg neer op de grond
en voelde me ernstig bescheten.

Wat moest ik toch doen?
Kon toch met fatsoen
zo door buikpijn en lijden bevangen
mij niet op het plein
ter bestrijding van pijn
voor de gevel van Eicas verhangen?

Ik keek in mijn zak
op mijn dooie gemak
vond een sleutelkoord, van fel oranje,
ik keek om me heen
-met een hart als van steen-
en zag toen terstond die kastanje.

Dat moest echt zo zijn:
daar midden op ’t plein
stond hij fier tussen auto’s te wachten
tot iemand hardop
droomt van een strop
om zo zijn groot leed te verzachten.

“Kom hier!” sprak de boom
en als in een droom
liep ik stamwaards en wilde al rijken
naar takken zo dik
waar iemand als ik
straks verlost van mijn leed hang te prijken.

Ik pakte mijn koord
en -zoals dat hoort-
klom ik op een van de daken:
de auto staat daar
als bedoeld voor mij klaar
om zo bij de tak te geraken.

Het koord om de tak,
en ik hang…, maar daar brak
eerst de tak en toen ook het koordje.
Ik viel op de grond
en een bloedende wond
besmeurde mijn hemd en mijn boordje.

Ik deed ook niets goed:
en dat addergebroed
aan mijn borst moest nog maar wat blijven
want wat u toch weet:
een droevig poëet
koestert zijn leed en blijft schrijven!

Vrij naar De Zelfmoordenaar van Piet Paaltjens.
Niels Klinkenberg, februari 2024

Mijn leven flitst nu langs mij heen
Alvoor ik sterf denk ik nog heen en weer terug
Het klamme zweet op mijnen rug
Mijn hart is koud als steen

==

Wat zou ik mijn kindren nog moeten zeggen?
Is er nog iets uit te leggen?
Waarom ik zoop als een kanonnier?
Waarom zocht ik troost in wijn en bier…

==

Is er nog een geheime broer of zus
Verwekt door een ober in een zonnig oord?
Of is er nog een grote som geld
Waar niemand nog over heeft gehoord?

==

Maar nee ik sterf een arme dood
Mijn kinderen zijn stoer en groot
Zij kunnen ook prima verder zonder mij
Hun leven loopt geen averij

==

En al die bandoptredens ten spijt
Wat stelt het voor, bij ’t vergaan der tijd?
Het maakt niet uit wat een mens nog doet
Mijn schilderijen belanden waarschijnlijk bij Het Goed

==

Dus dochters: vrij tot het ochtendgloren
Schrijf tot er novelles zijn geboren
Werk en geniet van het goede leven
Ga niet voor een zesje maar voor minstens een zeven

==

Laat iedereen maar lullen en ga je eigen weg
En timmer op geheel eigen wijze aan de weg
Maak muziek waar je ziel en zaligheid in zit
Zodat iedereen zegt: dat is er één van Esther Smit

Esther Smit, januari 2024

Rond 1790, het najaar was al begonnen.
Het was ergens langs de Garonne.

Er was een edelman, vadsig, pukkelig en bleek
hij was de landheer in deze streek.

Hij was te lelijk voor woorden en krom en grauw
eigenlijk te lelijk als man, te lelijk voor een vrouw.

Zijn titel had toen nog enig gewicht,
zijn naam is te lang voor dit gedicht

Dit zeg ik met klem
het gedicht gaat niet alleen over hem.

Dit is ook het verhaal van man die Paul heette,
die door deze landheer voor altijd in de kerker was gesmeten.

Wat had hij gedaan? Wat had hij gezegd?
Was hij echt zo in en in slecht?

Z’n straf? U denkt, dan was zijn misdaad zeker niet klein,
echter deze strafmaat was bepaald door kinnesinne en venijn.

Paul is een deel van een echtpaar.
Hij en Antoinette houden van elkaar

De landheer is in eigen persoon de plaatselijke elite.
Antoinette trekt de stoute schoenen aan en brengt hem een visite

Ze spreekt op zachte fluistertoon.
Ze doet een voorstel ongewoon.

De vrouw van Paul, ja die Antoinette
Stelde de landheer voor ‘Ik ga met u naar bed,

als u mijn man zijn vrijheid terug zal geven.’
De landheer dacht na en twijfelde even.

Stiekem was dit waar de landheer op had gehoopt.
Dit was nooit gebeurd als hij Paul had opgeknoopt.

Terwijl ze sprak, bekeek landheer haar maten.
Zijn geile blik, ze had dat in de gaten.

Zij daagt hem uit
en trekt alvast haar bovenjurk uit.

En hierop, dames en heren
gaat de landheer uit de kleren

‘Maar’ spreekt Antoinette ‘voordat ik me volledig aan u geef
wil ik zien of mijn Paul nog leeft!’

In een hemd met ene sok gaat de landheer haar voor
met een blaker, is het trappen af en gangen door

en tree na tree na tree
wenteltrappen ze naar bené.

Het ging steeds dieper, lager dan verwacht.
Zij volgde hoewel zij hem veracht.

Tenslotte die trap, zeer zelden in gebruik
leidt naar een gang met aan het eind een eenzaam luik.

Met touwen en katrol trekt de landheer het luik open
Antoinette komt dichterbij, tot aan de rand gekropen

Dit net geopende luik
geeft toegang tot een stenen fuik.

En zij roept Paul en Paul roept haar
‘Liefje, liefje ben je daar?’

Bij het eerste streepje licht
ziet Antoinette Pauls gezicht.

Ze laat nu vallen haar laatste kleed
en maak zich tot de bijslaap gereed.

Maar dan! Is dat beter? Is dat slechter?
Ze schuift zich bij Paul in de kerkertrechter.

De landheer, geheel ontkleed, met de valdeur in zijn hand
staat, vol van geilheid en van twijfel boven aan de rand.

Zij beneden, weet, wat alle vrouwen weten;
een man kan nooit, een vrouw die hij net niet heeft gehad, vergeten.

Hoe gaat het nu verder met die drie?
Dat is geheel aan uw eigen fantasie.

. .

Ruim twee honderd jaar nadien
is van het kasteel niets meer te zien.

Op de plek waar het allemaal gebeurd moet zijn,
staat anno 2023 een toerist op een zonovergoten plein.

Het middaguur, de zon staat hoog,
het hemd bezweet, de kelen droog.

De toerist went zich tot de lokale ijscokraam
gerund door een uitbater van internationale faam.

De ijscoman vraagt: ‘Wat zal het zijn een hoorntje of toch een bakje?’
De toerist zoekt de creditcard in z’n borstzakje.

‘Een hoorntje met twee bolletjes graag.’
Is zijn antwoord op de vraag.

Terwijl er wordt betaald met plastic geld,
is het de hitte die de bolletjes versmelt.

Dit is wat u nimmer mag vergeten
dat, die kerker en dat ijscohoorntje hetzelfde heten.

Charles Matthijssen, januari 2024

REPOS DANS LE MALHEUR

Le Malheur, mon grand laboureur,
Le Malheur, assis-toi,
Repose-toi,
Reposons-nous un peu, toi et moi,
Repose,
Tu me trouves, tu m’ éprouves, tu me le prouves,
Je suis ta ruine,
Mon grand théâtre, mon havre, mon âtre,
Ma cave d’or,
Mon avenir, ma vraie mère, mon horizon,
Dans ta lumière, dans ton empleur, dans ton horreur,
Je m’abandonne.

RUST IN HET ONGELUK
Ongeluk, mijn grote landman,
Ongeluk, ga zitten en
Rust uit,
Wij rusten samen, jij en ik,
In rust,
Jij vindt mij, jij bindt mij, jij doorgrondt mij,
Ik ben jouw ruïne,
Mijn groot theater, mijn haven, mijn haard,
Mijn goudschat,
Mijn toekomst, mijn oudste moeder, mijn horizon,
In jouw luister, in jouw ruimte, in jouw duister,
Laat ik mij los.

Henri Michaux (1899 – 1984)
(vertaald uit het Frans door Pieter Bas Kempe. januari 2024

Puber van zestien
haren recht omhoog
rastaband om ’t hoofd,
daarachter zoemt de reggae.
Na school zit hij aan tafel
en drinkt vier koppen thee.

Zijn broer van twee jaar jonger
speelt staande naast de tafel
met inzet klarinet,
zijn thee heeft hij opzij gezet.
Muzikantje in de dop
heeft ook zijn haar rechtop.

De jongste broer van dertien
hangt languit op de bank
en leest De Alchemisten,
theekop achteloos in zijn hand.
Op ’t slimme hoofd, het ís niet waar,
alweer dat rechtop staande haar.

Lies Prins, januari 2024

verstrikt in boze dromen
de pen trillend ter hand genomen
kwijnend kaarslicht, klamme kilte
iets besluipt je in de stilte

een koude windvlaag fluistert
maar als je echt goed luistert
besef je in de duisternis
dat alles enkel denken is

elk met schuld beladen kind
schreeuwt van angst tegen de wind
weet dat wie voor donker zwicht
in feite bang is voor het licht

straalangst wil je overhalen
lispelt: laat mij je betalen
alle schatten van de aarde
schenk ik je, ik ken hun waarde

vrees hem niet, ontsteek je vuur
duister kent geen dag, geen duur
bezit geen enkele eigenschap
verdwijnt als licht verschijnt (de grap)

wanneer je denkmuur wordt geslecht
blijkt donkerte terstond onecht
zal elke kerker, elke cel
ineenstorten in slechts een tel

laat dit aan heel de wereld weten
want we zijn massaal vergeten
hoe engelen ons steeds omringen
ons vragen te dansen, te lachen, te zingen

Astrid Aalderink, januari 2024

Ik zit alleen in een kasteel in een zaal, raamloos
aan een tafel met een vel papier en een potlood
moet ik hier wachten naamloos
op mijn naderende dood?

De deur is in het slot gevallen, er is geen sleutel
buiten dit kasteel hoor ik gekrakeel van het arm gepeupel
hun lotgevallen zijn de mijne
hoe kom ik met mijzelf in het reine?

Voor wie mij uit Droomoord terug komt halen
is dit wat ik dan nalaat:
het zijn mijn initialen
Liefde Wint van de Haat
het is geen droom, het is een daad

Wim van den Hoonaard, januari 2024

Meer gedichten zijn te vinden in het overzicht Dichters van A tot Z!